Koning Arthur (ook Artur of Artus) is een figuur uit de Keltische legenden en de middeleeuwse hoofse literatuur, wiens historiciteit niet vaststaat. Hij is de centrale figuur in de Arthur-legenden. In vroege Welshe teksten wordt hij nergens koning genoemd, maar dux bellorum (leider van de strijd), en middeleeuwse teksten noemen hem vaak amerauder (heerser).
Historische Arthur Volgens sommige door historici min of meer betrouwbaar geachte bronnen was Arthur een Romano-Britse legeraanvoerder die tijdelijk een halt toeriep aan de veroveringen van de Angelsaksen in het Brittannië van de zesde eeuw, nadat de Romeinse legioenen die provincie hadden verlaten. Van Arthur wordt beweerd dat hij meerdere slagen heeft gewonnen tegen de Saksen, waarvan de slag bij Mons Badonicus omstreeks het jaar 500 de bekendste is. Zeker is dat rond deze tijd inderdaad een heropleving van de Britse (tegenover de Angelsaksische) macht in Engeland plaatsvond; hoeveel daarvan aan Arthur moet worden toegeschreven, is echter niet meer dan giswerk.
Sommigen identificeren Arthur met ene Riothamus, een "Bretonse koning" die tijdens de regering van de Romeinse keizer Anthemius leefde. Helaas is over Riothamus weinig bekend; het is zelfs niet zeker of "Bretonse koning" refereert aan een koning van Brittannië of van Armorica; de oude naam van Bretagne.
Andere historici stellen dat er geen bewijs is dat Arthur daadwerkelijk heeft bestaan. Zo zijn er geen eigentijdse bronnen die hem noemen, maar bronnen uit deze periode zijn sowieso vrijwel afwezig. Veelal wordt als argument aangehaald dat een andere Romeinse Brit, misschien Ambrosius Aurelianus, de leider was in de oorlog tegen de Saksen in de slag bij Mons Badonicus. Deze historici stellen dat Arthur gebaseerd kan zijn op Lucius Artorius Castus, een Romein uit de tweede eeuw.
Bronnen thumb|Koning Arthur (ca. 1385, tapijt) thumb|Koning Arthur (ca. 15e eeuw)
Vroege Arthur-verhalen Arthur wordt het eerst genoemd in Welshtalige literatuur. In een vroeg Welsh gedicht, Y Gododdin van de dichter Aneirin (7e eeuw), vinden we over Gwawrddur: 'Hij gaf de raven te eten, al was hij niet Arthur'. Dit gedicht echter, is in de loop der tijd gewijzigd en aangevuld, en het is niet zeker of de bedoelde regel een latere aanvulling is.
Arthur wordt ook in het Welshe Boek van Taliesin genoemd, bijvoorbeeld De zetel van de heerser refereert aan Arthur de gezegende. In andere gedichten komen zinsnedes voor als de moed van Arthur, wij gingen met Arthur in zijn grootse daden en zoals bij de slag bij Badon met Arthur, gever van feesten, met zijn zwaarden rood van de strijd, zoals allen herinneren.
De Historia Britonum Rond 830 schreef de monnik Nennius zijn Historia Britonum. Over dit werk wordt gezegd dat het een samenvoeging is van vroege legendes en geschiedenissen uit Wales. In dit boek wordt Arthur 'leider in de strijd' genoemd, en niet koning: "Toen streed Arthur tegen hen in die dagen met de koningen van de Britten, maar hij was zelf de leider in de strijd (dux bellorum)."
Twee verschillende bronnen die Nennius gebruikte refereren aan twaalf slagen waarin Arthur zegevierde, te weten De eerste slag was aan de riviermonding van de Glein (zuiver, helder), De tweede, derde, vierde en vijfde aan de rivier de Dubglas (zwart-groen) in het district Linnuis, misschien van Lindum (Lincoln) of Lindum in het gebied van Loch Lomond. Misschien komt lininuis van Lindinienses, het volk rond Lindinis (Ilchester), waar op 20 mijl afstand twee rivieren met de naam Dubglas stromen. De zesde slag aan de rivier Bassas. De zevende in het Bos van Caledon (Cat Coit Celidon), Coit Celidon lag waarschijnlijk in de Southern Uplands. De achtste in Fort Guinnion, waar Arthur het beeld van Maria op zijn schouders droeg, misschien was schouder (scuid) een verkeerde vertaling van schild (scuit) en had Arthur de beeltenis van Maria op zijn schild. De negende in de Stad van het Legioen (in urbe Legionis), Chester of Caerleon. De tiende aan de oever van de Tribuit. De elfde op de berg Agned of Breguoin, misschien van het Romeinse fort van High Rochester Bremenium of Breguein van Bravonium (Leintwardine in Herefordshire). De twaalfde slag bij Mons Badonicus, misschien op een van de heuvels die uitkijken over Bath (Badum, Caer Vadon) In deze slag zou Arthur persoonlijk 960 vijanden hebben gedood, misschien een Welshe poëtische, overdrijvende frase als drie maal driehonderd en drie maal twintig.
Misschien was het oorspronkelijke Welshe gedicht een lofzang gericht aan Arthur zelf, omdat de laatste slag van Camlann er niet in wordt genoemd. Het is bijna ondenkbaar dat zijn ondergang niet werd genoemd als de tekst van ná zijn dood zou dateren.
De Annales Cambriae De Annales Cambriae vertellen over de slag van Badon in 518 (jaar 72 volgens de Britse jaarboeken van Pasen, British Easter Annals): “De Slag van Badon waarin Arthur op zijn schouders drie dagen en drie nachten lang het kruis droeg van Onze Heer Jezus Christus en de Britten waren overwinnaars.” Arthur sneuvelde in de slag bij Camlann in 539 (jaar 93): “De strijd van Camlann waarin Arthur en Mordred ten onder gingen. En er was pest in Brittannië en Ierland.”
Culhwch en Olwen In dit verhaal uit Wales verschijnt Culhwch aan zijn hof om hulp bij het dingen naar de hand van Olwen. Arthur, die als familielid wordt genoemd, gaat akkoord, en vervult de wensen van Olwens vader, de reus Ysbadden, waaronder de jacht op het enorme everzwijn Twrch Trwth.
De Vitae uit Wales Arthur maakte zijn opwachting in hagiografieën (Vitae) van heiligen uit Wales. In de levensbeschrijving van Illtud bijvoorbeeld wordt hij genoemd als neef van die heilige. In veel van deze verhalen wordt Arthur als onverschrokken krijger neergezet en niet per definitie als de nobele held zoals wij hem kennen. Volgens de Welshe biografie van Gildas, geschreven in de 11e eeuw door Caradoc of Llancarfan, werd Gildas' broer Hueil, een piraat van het eiland Man, door Arthur gedood.
De opgraving in Glastonbury In 1191 beweerden monniken van de Abdij van Glastonbury de lichamen van Arthur en zijn vrouw Guinevere ten zuiden van de Lady Chapel (Vrouwenkapel) te hebben opgegraven. De kroniekschrijver Ralph van Coggeshall, die tijdgenoot was, heeft de opgraving overgeleverd en er zijn twee verslagen over van Giraldus Cambrensis, die in 1192 en 1193 Glastonbury bezocht en de botten zag. Ook is er 'de geschiedenis van de abdij' uit 1291 van Adam van Domerham, een monnik van de Glastonbury abdij, die vermoedelijk als bron mondelinge overleveringen gebruikte. De schrijvers zijn het er over eens dat de lichamen tussen twee piramiden werden gevonden en vergezeld gingen van een loden kruis onder het deksel van de kist. Ze waren het onderling niet eens over de reden van de ontdekking, over de kist en de inscriptie op het kruis. Volgens Ralph betrof het 'een zeer oude sarcofaag', volgens Giraldus lagen de lichamen in een 'uitgeholde eik'. Volgens Ralph stond er op het kruis: 'Hier ligt de beroemde koning Arthur, begraven op het eiland Avalon', terwijl Geraldus, die het kruis zelf had gezien, een andere woordvolgorde gebruikte en eraan toe voegde 'met Guinevere zijn tweede vrouw'. Hij schrijft ook over een lok blond haar, dat uiteenviel toen het werd opgepakt.
Zowel de lichamen als het kruis zijn er tegenwoordig niet meer. In 1192-3 werd er een tombe gebouwd voor de botten. De tombe werd in 1278 in tegenwoordigheid van Eduard I en koningin Eleanor geopend en de botten werden naar een meer bewerkte tombe overgeplaatst voor het hoogaltaar van Glastonbury. Tijdens de Reformatie werd deze tombe in stukken gebroken en werden de botten vergruizeld. Het kruis werd door John Leland nog rond 1542 gezien. Zijn versie van de inscriptie in zijn Assertio (1544) komt overeen met dat van Geraldus, op de toevoeging van Guinevere na. In de zesde uitgave van Britannia (1607) van Camden was een uitvouwbare pagina toegevoegd met daarop een tekening van het kruis van 6 bij 7 à 8 inch lang, misschien op ware grootte. In de 18e eeuw was het kruis nog in Wells, maar daarna is het verdwenen. De letters zijn niet van Arthurs tijd, maar van de 10e of 11e eeuw.
Hier volgt een hypothese, zoals vermeld in Leslie Alcocks Arthur's Britain: Als Arthur in Glastonbury begraven was na de Slag van Camlann zou zijn graf waarschijnlijk zijn gemarkeerd met een rechtopstaande steen met een tekst: 'Hier ligt Arthur begraven'. In de jaren na 945 sloot St Dunstan de abt van Glastonbury de antieke begraafplaats af met een stenen muur en maakte het gebied met de grond gelijk met een laag klei. Deze laag werd gevonden boven de vloer van het mausoleum, dat daarom vóór die tijd moet zijn afgebroken, misschien door St Dunstan. Misschien werd toen ook Arthurs grafsteen weggehaald, maar om het graf toch te markeren kan in het graf het loden kruis zijn gelegd met op de inscriptie de toevoeging 'inclitus rex' (beroemde koning) en 'in insula avalonia' (op het eiland van Avalon).
Archeologisch onderzoek heeft de plek van de opgraving vastgesteld. De beschrijving van de 12e-eeuwse historicus William van Malmesbury verduidelijkte dat de piramiden in werkelijkheid staande kruisen waren van vier en vijf stages hoog. In 1962 werd er een put gevonden rond vijf voet doorsnee, waaruit een groot kruis kan zijn weggehaald. Tien voet er vandaan waren sporen van een vroege mausoleum, dat al was afgebroken in de 10e eeuw. Tussen de put en het mausoleum was er een groot gat gegraven dat kort daarna in de jaren 80 en 90 van de 12e eeuw weer was opgevuld. De datering komt van stukjes steen van de 'Doulton steen', die enkel gebruikt werd voor de oprichting van de Vrouwenkapel. Uit dit gat zouden de lichamen van Arthur en Guinevere in 1191 zijn opgegraven.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de vondst van de monniken vals is. Een politiek motief was volgens Geraldus dat koning Henry II met het opgegraven lichaam wilde bewijzen dat Arthur níet was opgestaan in de persoon van zijn kleinzoon Arthur I van Bretagne, wat opstandige Keltische volken had geïnspireerd bij hun oproer. Een financieel motief zou zijn, dat de monniken, die bezig waren met het herstellen van de brandschade, die in 1184 was ontstaan, fondsen wilden werven door pelgrimstochten naar het klooster te stimuleren. De vraag waarom Arthur volgens beide motieven met Glastonbury werd geassocieerd is niet beantwoord, tenzij er reeds vanuit de traditie een verband bestond tussen Arthur en Glastonbury. Of de opgraving vals of authentiek is kan niet worden vastgesteld.
De legende volgens Geoffrey of Monmouth In de twaalfde eeuw bracht de geschiedschrijver Geoffrey of Monmouth (ca. 1090/1100 - 1154/1155) voor het eerst de legenden van Merlijn en Arthur samen. Reeds in 1135 had Geoffrey zijn Vita Merlini over het leven van de legendarische tovenaar Merlijn geschreven. In zijn Historia regum Britanniae (ca. 1138 voltooid) creëerde hij de Arthur-mythe en maakte van Arthur een nationale held van de Britten, een legendarische geschiedenis van de koningen van Brittannië.
Volgens Geoffrey was Arthur de zoon van Uther Pendragon, die de zoon was van Constantijn. Constans en Aurelius Ambrosius waren Arthurs ooms. Arthur nam de kroon van zijn vergiftigde vader op vijftienjarige leeftijd over. Hij werd gekroond door Dubrucius, de aartsbisschop van Caerleon. Hij bestreed en overwon de Angelsaksische leiders Colgrim, Baldulf en Cheldric en de Picten en Schotten met hulp van zijn neef koning Hoel van Armorica (Bretagne) en Cador, de hertog van Cornwall. Daarna veroverde hij verschillende landen buiten Brittannië.
Strijd tegen Saksen, Picten en Schotten