thumb|270px|Het kantoor van de notaris, Jan Woutersz. Stap, 1629, Rijksmuseum Amsterdam Uiterste wilsbeschikking is een begrip uit het erfrecht dat in verschillende landen wordt gebruikt voor de juridische manier waarop iemand bij leven persoonlijk kan bepalen wat er met diens nalatenschap gebeurt na overlijden. Bijzonder ten opzichte van andere rechtshandelingen is, dat de beschikking wordt gemaakt bij leven, maar pas rechtskracht krijgt na overlijden. In Duitsland heet dit letztwillige Verfügung, in Frankrijk disposition à cause de mort, het Belgisch erfrecht gebruikt de termen wil van de erflater (art. 4.2 BW), testament en uiterste wilsbeschikking (art. 4.192 e.v. BW). Met laatste wilsbeschikking wordt in België het document bedoeld waarmee de wensen voor de uitvaart vastgelegd kunnen worden.Kamerstukken - 2019 2020 Belgische Kamer van volksvertegenwoordiging 55e zittingsperiode, DOC55 1272/001 p. 7De Nederlandse uiterste wilsbeschikking voor wensen omtrent de uitvaart staat niet in de wet erfrecht, want het lichaam van overledene maakt geen deel uit van de nalatenschap. Het staat in de Wet op de lijkbezorging(Wlb), artikel 19. Deze beschikking kan ook worden gemaakt door personen die niet bekwaam zijn een uiterste wil op te stellen. Artikel 18 lid 1 Wlb schrijft voor dat de wensen of vermoedelijke wensen van overledene gevolgd moeten worden, daardoor kan deze uiterste wilsbeschikking in rechte worden afgedwongen, ook als de gezamenlijke erfgenamen iets anders wensen. Verder kent de Wlb een strafbaarstelling op niet naleving van de regels. Het is daarom een bijzondere uiterste wilsbeschikking.
Het Nederlands erfrecht kent sinds 2003 een definitie van het begrip uiterste wilsbeschikking, neergelegd in artikel 4:42 BW: het is een eenzijdige herroepelijke rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na overlijden en die in Boek 4 is geregeld of elders in een wet als zodanig wordt aangemerkt. De laatste woorden brachten een belangrijke wijziging ten opzichte van het oude recht. Ze betekenen dat niet elke wens van een persoon in een testament na overlijden erfrechtelijke werking heeft, maar alleen de wensen die onder een in Boek 4 of andere wet genoemde uiterste wilsbeschikking vallen. Dit heet het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Een vergelijkbaar systeem geldt in het goederenrecht en rechtspersonenrecht.
Het Belgisch erfrecht geeft in art. 4.192 als omschrijving: uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel. De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten.
Dit artikel behandelt verder de situatie volgens het Nederlands erfrecht.
Hoofdregels Uiterste wilsbeschikkingen kunnen alleen worden gemaakt en herroepen door de persoon zelf om wiens of wier nalatenschap het gaat, vertegenwoordiging door, of medewerking van een derde is niet toegestaan (art. 4:42 lid 3 BW). Wel kunnen deskundigen als een advocaat, notaris of belastingadviseur (estate planning) ondersteunen bij het vinden van passende juridische formuleringen en voordelige fiscale mogelijkheden. Het is echter de erflater die de inhoud bepaalt en adviseurs mogen uitsluitend met hem of haar de testamentwensen bespreken, niet met derden. Evenmin mogen adviseurs de wensen namens de erflater aan een notaris doorgeven, zodat deze er een (concept)akte van kan maken, een notaris hoort aan zulke werkmethoden geen medewerking te verlenen. Op grond van de beroepsregels moet een notaris voorafgaand aan de afspraak tot ondertekening van een door hem opgestelde testamentaire akte, persoonlijk met erflater spreken, daar hoort niemand anders bij aanwezig te zijn.
Het maken van een uiterste wilsbeschikking is een rechtshandeling, de persoon moet bij het opmaken daarvan wilsbekwaam zijn en de wil geuit hebben een testament te willen maken (art. 3:32 en 3:33 BW en 4:55 Lid 2 BW). Uiterste wilsbeschikking en herroeping moeten worden vastgelegd in een notariële akte of een onderhandse akte die aan de notaris in bewaring is gegeven, anders zijn ze niet geldig (art. 4:94 BW). Van het in bewaring geven van een onderhandse akte maakt de notaris een akte op die door testateur en notaris wordt ondertekend. Dit zijn vormvereisten, opgenomen in de wet ter bescherming van de maker. In de wet erfrecht heten deze akten met een of meer uiterste wilsbeschikkingen uiterste wil, in het spraakgebruik testament. Verdere regels staan in Boek 4, titel 4, afdeling 1; afdeling 2 en afdeling 5 en titel 5. BW. Het is dus de erflater persoonlijk die bepaalt wat de inhoud is, maar er is een notaris nodig om de inhoud rechtsgeldig te maken.
Alleen bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt kan worden afgeweken van de algemene wettelijke regels voor erfopvolging (art. 4:1 BW). Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat (art. 4:115 BW).
Onder het erfrecht dat tot 2003 gold, werd voor de rechtshandeling die nu uiterste wilsbeschikking heet, ook het begrip uiterste wil gebruikt, zo kon een testamentuitvoerder of testamentair bewindvoerder bij uiterste wil worden benoemd. Het begrip uiterste wil wordt al eeuwenlang gebruikt in testamentaire akten maar had niet dezelfde betekenis als onder het erfrecht dat na 2003 geldt. De wijziging van begripsgebruik en de verschillen in rol, functie en werking van de begrippen uiterste wilsbeschikking en uiterste wil in het huidige recht zijn nog niet overal doorgedrongen, blijkt in literatuur over en bij toepassing van het erfrecht. In de testamentenpraktijk worden bijvoorbeeld modelregelingen gebruikt als het langstlevende testament, de democratieclausule en de executeur-afwikkelingsbewindvoerder, met bepalingen die niet onder een uiterste wilsbeschikking vallen en daarom nietig zijn als ze in een testament staan. In de wetenschap bestaat kritiek dat het aan het notariaat niet vrij staat op deze manier te experimenteren over de rug van cliënten.
Zowel de vrijheid voor erflater om te bepalen wat er met zijn eigendommen gebeurt na overlijden en wie erfgenaam is, als de vrijheid voor erfgenamen de nalatenschap na overlijden daadwerkelijk in eigendom te verkrijgen, er over te beschikken en deze te behouden, zijn rechten gebaseerd op het Europees grondrecht op ongestoord genot van eigendom die in alle lidstaten van de EU gelding hebben, in Nederland opgenomen in de Grondwet.
Inhoud en werking Een kenmerkende eigenschap van de uiterste wilsbeschikking is, dat zij als rechtshandeling tot stand komt op het moment van het maken van een testament, erflater dus leeft, maar pas effect sorteert na het overlijden van de erflater. Met de uiterste wilsbeschikkingen kan men de zelf gewenste verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke overgang van het eigen vermogen vastleggen, dat wil zeggen dat men kan bepalen op welke (rechts)personen het hele samenstel van zakelijke en vermogensrechten waaruit de nalatenschap bestaat, na overlijden overgaat. Daaronder kunnen goede vrienden, stiefmoeders, goede doelen, onderwijsinstellingen of de staat zijn, maar bijvoorbeeld niet de zorginstelling waar men wordt verpleegd of de notaris die het testament opstelt (art. 4:59 BW, art. 20 Wna).
Bij uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt kan worden afgeweken van het wettelijk erfrecht, erfopvolging bij versterf genoemd (art. 4:1 lid 2 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan men ook nadere rechten aan de erfgenamen toekennen, hen verplichtingen opleggen (testamentaire lasten), aan anderen verbintenisrechtelijke vorderingen op de erfgenamen toekennen (legaten) of het beheer over de verkregen goederen tijdelijk bij een ander leggen (benoeming executeur, instellen bewind).De rechten die de executeur en bewindvoerder op grond van een uiterste wilsbeschikking krijgen toebedeeld zijn niet van goederenrechtelijke, maar van verbintenisrechtelijke aard. Een uiterste wilsbeschikking kan altijd eenzijdig, door de maker, worden herroepen (art. 4:42 lid 3 BW), dat moet ook weer bij uiterste wilsbeschikking, opgenomen in een uiterste wil. Net als het opmaken van een testament is ook het wijzigen of intrekken een hoogstpersoonlijke aangelegenheid, wat bijvoorbeeld betekent dat bij een getrouwd paar één persoon het eigen testament kan wijzigen of opheffen zonder het de ander te hoeven vertellen. Het is mede daarom altijd verstandig na overlijden het Centraal Testamentenregister te raadplegen.
Overgang nalatenschap: dwingend recht Er bestaat geen uiterste wilsbeschikking waarmee een eigen regeling kan worden ontworpen voor de goederenrechtelijke overgang van de nalatenschap van erflater op de erfgenaam of erfgenamen. De manier waarop de nalatenschap overgaat is dwingendrechtelijk voorgeschreven in artikel 4:182 BW. Daarin staat dat bij overlijden van een persoon de erfgenamen hem van rechtswege opvolgen in alle voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap en dat ze in plaats van erflater schuldenaar worden van alle schulden die niet met de dood tenietgaan. Hierop geldt één uitzondering, vastgelegd in artikel 4:13 BW ("wettelijke verdeling"), voor de situatie dat er bij overlijden zowel kinderen zijn als een partner uit huwelijk of registratie. In dat geval volgt alleen de partner van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater, het kind of de kinderen worden wel erfgenaam genoemd, maar aan hen wordt niets overgedragen, ze worden geen deelgenoot van de nalatenschap en hebben geen zeggenschap bij de afwikkeling, er hoeft niets verdeeld te worden.Er hoeft en kan dus niets verdeeld worden, gebruik van het begrip "wettelijke verdeling" is verwarrend te achten en vermogensrechtelijk onjuist. De kinderen "krijgen" slechts een vordering op de langstlevende ter hoogte van hun theoretisch erfdeel dat pas opeisbaar is bij overlijden, voor wat er dan nog van over is. Krachtens artikel 3:80 BW verkrijgen erfgenamen van erflater onder algemene titel alle goederen van de nalatenschap, dat zijn zaken en vermogensrechten (art. 3:1 BW), zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 lid 1 BW).Bij de waardebepaling gaat de wet uit van de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, waarbij geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten. Krachtens artikel 6:249 BW volgen erfgenamen erflater op als partij bij overeenkomsten, in overeenkomsten kan men van deze algemene wettelijke hoofdregel afwijken en afspreken dat iemand anders na overlijden als partij in de plaats van overledene komt.Handboek Asser/Perrick 4, Erfrecht en Schenking (2021) nr. 436, Wolters Kluwer Ook kan buiten het erfrecht om worden afgesproken wie een persoon bij overlijden opvolgt in een bepaalde functie. Er is geen uiterste wilsbeschikking voor schulden.