Vidkun Abraham Lauritz Jonssøn Quisling (Fyresdal, 18 juli 1887 - Oslo, 24 oktober 1945) was een Noorse nationaalsocialist, collaborateur en leider van de partij Nasjonal Samling (Nationale Eenheid) in Noorwegen.

Hij wilde dat Noorwegen zou worden overgenomen door Duitsland, omdat hij zich verbonden voelde met de nazi's. Op 9 april 1940 werd Noorwegen aangevallen en na een strijd van twee maanden bezet door Duitsland. De Britse troepen, die in hun Norwegian campaign hielpen met de verdediging van Trondheim, werden genoodzaakt zich op 10 juni 1940 terug te trekken.

Quisling hoopte door de Duitsers erkend te worden als de leider van Noorwegen, maar in plaats daarvan werd een Duits bestuur aangesteld onder Josef Terboven.

De Nasjonal Samling werd wel door de Duitsers erkend als enige politieke partij en op 1 februari 1942 werd Quisling benoemd tot minister-president van Noorwegen. Na de Tweede Wereldoorlog werd Quisling ter dood veroordeeld en op 24 oktober 1945 werd hij geëxecuteerd.

Levensloop Vroege jaren Vidkun Quisling werd geboren als de zoon van de predikant en genealoog Jon Lauritz Qvislin (1844-1930) en diens vrouw Anna Caroline Bang (1860-1941). Anna Bang had Jon Qvislin leren kennen toen ze onderwijs bij hem volgde. Quisling had twee jongere broers en een jongere zus. Op school deed hij het goed in natuurkunde en wiskunde. In 1905 meldde hij zich aan bij de Noorse Militaire Academie en werd dat jaar met de hoogste toelatingsscore van alle nieuwelingen toegelaten. Een jaar later maakte hij de overstap naar het Noorse Militaire College, waar hij met de hoogste eindscore ooit afstudeerde.

Sovjet-Unie Na zijn afstuderen voegde hij zich bij de generale staf van het Noorse leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Noorwegen neutraal. Quisling had een afkeer van de vredesbeweging, maar was tegelijkertijd blij dat Noorwegen buiten de oorlog bleef vanwege het verlies van mensenlevens wat dat zou betekenen. In maart 1918 werd hij als attaché naar het Noorse gezantschap in Sint-Petersburg gestuurd, waar hij vijf jaar verbleef. In die jaren leerde hij de Sovjet-Unie goed kennen.

Oekraïne en Parijs miniatuur|Quisling samen met zijn tweede vrouw Maria. Quisling ruilde de Sovjet-Unie in september 1919 als standplaats in voor het Noorse gezantschap in Finland. In de herfst van 1921 keerde hij terug naar Noorwegen. Op verzoek van de ontdekkingsreiziger en weldoener Fridtjof Nansen vertrok hij januari 1922 naar de Oekraïense hoofdstad Charkov om te helpen bij een hulpmissie van de Volkerenbond. Op dat moment overleden duizenden mensen per dag door de honger. In augustus 1922 trouwde hij met de Russische Alexandra Andreevna Vornina. Volgens twee neven die later onderzoek deden naar de relatie was er geen sprake van romantische gevoelens bij Quisling, maar wilde hij het meisje helpen aan een Noors paspoort.

In september 1922 verliet Quisling Oekraïne, maar keerde in februari 1923 weer terug. Nansen omschreef hem als "absoluut onmisbaar". Alexandra bleek in maart 1923 zwanger te zijn en onderging op aandrang van Quisling, tegen haar zin in, een abortus. Quisling ontmoette intussen de Oekraïense Maria Vasiljevna Pasetchnikova. Zij waren op slag verliefd. Quisling beweerde later dat ze op 10 september 1923 in Charkov in het huwelijk waren getreden, hoewel daar geen papieren bewijs van was. Quislings biograaf Hans Frederik Dahl gelooft dat het huwelijk nooit officieel was. Desondanks leefden Quisling en Pasetchnikova of dat wel zo was en beweerden dat Alexandra hun dochter was. Kort na september 1923 kwam de hulpmissie tot een einde. Het drietal vertrok na Parijs om daar een jaar door te brengen.

Kort na aankomst publiceerde Quisling een artikel in het Noorse dagblad Tidens Tegri, waarin hij pleitte voor diplomatieke erkenning van de Sovjet-Unie. In november 1923 vertrok hij voor een project van Nansen naar Sofia en de twee maanden daarna bracht hij al reizend met zijn vrouw Maria door. In de zomer van 1924 keerden Quisling en Maria definitief terug naar Oslo. Alexandra werd ondergebracht bij een tante in Nice. Quisling beloofde in haar levensonderhoud te voorzien, hoewel de betalingen zeer onregelmatig waren.

Terug in Noorwegen voelde Quisling zich aangetrokken tot de communistische vakbeweging, iets waar hij later met schaamte op terugkeek. Zijn biograaf Dahl beschrijft zijn gedachtegoed als een "mengeling van socialisme en nationalisme", met beslist sympathie voor de Sovjet-Unie. Dahl suggereert dat dit een reactie was op de conservatieve opvoeding van Quisling. Hij bevond zich bovendien op een moment in het leven waar hij werkloos was en geen doel had. In het leger was geen plek meer voor hem, omdat daar fors op bezuinigd was in de jaren daarvoor.

Armenië en Moskou Nansen bood ook ditmaal uitkomst. Samen met Quisling bezocht hij in juni 1925 Armenië, waar ze hulp boden aan de overlevenden van de Armeense Genocide. Ze dienden een aantal projecten in bij de Volkerenbond voor financiering. Alle aanvragen werden echter afgewezen. In mei 1926 vond Quisling werk in Moskou. Hij was contactpersoon met de Sovjet-autoriteiten voor het bedrijf Onega Wood van zijn vriend Frederik Prytz. Quisling ging aan de slag als diplomaat, nadat Prytz zijn bedrijfsactiviteiten in Sovjet-Unie begin 1927 stopzette. Het Verenigd Koninkrijk liet zijn diplomatieke belangen in de Sovjet-Unie behartigen door Noorwegen. Quisling functioneerde als aanspreekpunt. Tegen het einde van 1928 brak er een schandaal uit rond Quisling en Prytz toen zij er – al dan niet terecht – van beschuldigd werden via diplomatieke kanalen miljoenen roebel de zwarte markt op te hebben gesmokkeld.

Quisling vervreemdde in deze tijd van het bolsjewisme, onder andere door wat hij gezien had in Armenië, maar ook doordat de Sovjet-autoriteiten pogingen blokkeerden om iets te doen tegen de Oekraïense hongersnood van 1928. Quisling verliet de Sovjet-Unie in 1928. Van het Vereningd Koninkrijk ontving hij de Orde van het Britse Rijk. Koning George VI trok deze onderscheiding in 1940 weer in.

Terug in Noorwegen - politieke ambities Quisling keerde in december 1929 na een twaalfjarig verblijf in het buitenland definitief terug naar Noorwegen. Hij had politieke ambities en kwam met een plan met de naam Norsk Action. Hij wilde dat de organisatie landelijk, regionaal en lokaal actief was. Hij financierde zijn plannen met de verkoop van een deel van zijn kunst- en antiekcollectie. Zijn collectie bevatte naar verluidt schilderijen van Rembrandt, Goya en Cézanne. Quisling had deze goedkoop op de kop getikt in het Rusland van na de revolutie. Quisling zocht ook weer de samenwerking met Prytz. Ze verzamelden een groep mannen om zich heen, voor het merendeel zakenmensen en (voormalige) militairen van middelbare leeftijd.

Na het overlijden van Nansen in mei 1930 schreef Quisling een beschouwing op diens leven voor de voorpagina van het dagblad Tidens Tegen. Daarin presenteerde hij een tienpuntenplan hoe Nansens Noorwegen er volgens Quisling uit moest zien. Dat moest onder meer een sterke en rechtvaardige overheid bevatten en een grotere nadruk op “ras en erfelijkheid”. Later dat jaar verscheen het boek Rusland en onszelf. In het openlijk racistische boek pleitte Quisling voor een oorlog tegen het bolsjewisme.

Quisling volgde in 1930 Nansen op als bestuurslid bij de Vaderlandsliga, een grote rechtse, anticommunistische partij. Intussen vormde hij samen met Prytz een eigen politieke partij onder de naam Nordisk folkereisning i Norge.

Minister van Defensie Quisling verliet de nieuw gevormde partij al na een paar weken. Hij was door de nieuwe premier Peder Kolstad gevraagd als minister van Defensie. Quisling was aanbevolen door Thorvald Aadahl, hoofdredacteur van het agrarische dagblad Nationen, hoewel Quisling geen lid was van Kolstads partij, de Boerenpartij. De benoeming kwam voor velen als verrassing. Zijn eerste actie was het beëindigen van de zogeheten Slag om Menstad, een uit de hand gelopen vakbondsconflict, door militairen te sturen die een einde maakten aan het geschil. Quisling gaf de communisten de schuld en liet lijsten aanleggen van revolutionairen binnen de vakbond.

Als minister van Defensie riep Quisling een permanente militie in het leven onder de naam Leidang. Deze moest in actie komen op het moment dat er een staatsgreep plaats vond om dit te verhinderen. De Leidang bestond slechts een paar jaar en telde nooit meer dan duizend man.

Tegenstanders van Quisling verdachten hem er van het fascistisch gedachtegoed aan te hangen, hoewel hij een reputatie opbouwde als kundig bestuurder. De Nordisk folkereisning i Norge moest halverwege 1932 bevestigen dat Quisling geen lid meer was en dat het partijprogramma niet gegrond was op het nationaalsocialistisch gedachtegoed.

Op 2 februari 1932 werd Quisling in zijn kantoor aangevallen. De aanvaller dreigde met een mes en gooide peper in zijn ogen. Volgens kranten was de dader een jaloerse echtgenoot geweest van een van Quislings schoonmakers. De Arbeiderspartij-politicus Johan Nygaardsvold suggereerde in het parlement dat de hele aanval een toneelstukje was. Dit kwam hem op een aanklacht vanwege laster te staan, maar hij werd nooit veroordeeld. De dader zelf werd nooit gepakt.

Na de dood van Kolstad in maart 1932 bleef Quisling minister van Defensie onder Jens Hundseid. In de maanden daarna viel Quisling de sociaaldemocraten en communisten in het parlement fel aan. Volgens hem waren zij "vijanden van ons vaderland en ons volk". Dat leverde hem veel steun op van rechts Noorwegen.

Nasjonal Samling Binnen de Nordisk Folkereisining i Norge nam de invloed van Prytz intussen af. Hij maakte plaats voor de advocaat Johan Bernhard Hjort. Toen het kabinet in februari 1933 door de Liberale Partij ten val werd gebracht, vormde Quisling met hulp van Prytz en Hjort de Nordisk Folkereisining i Norge om tot een politieke partij onder de naam Nasjonal Samling (in het Nederlands: Nationale eenheid). De nieuwe partij stelde in haar programma voor om revolutionaire partijen te verbieden die door buitenlandse mogendheden, zoals het Comintern, werden gefinancierd. Ook pleitte ze voor intrekken van de kiesrechten van burgers die afhankelijk waren van sociale uitkering en voor landbouwhervormingen.

Quislings populariteit was op dat moment gestegen tot recordhoogte. Zijn partij kon op relatief veel steun reken van de elite van Oslo. De verkiezingen in oktober 1933 verliepen echter teleurstellend. Nasjonal Samling haalde maar tweeënhalf procent van de stemmen en was daarmee de vijfde partij. Noorwegen kent een districtenstelsel; wat tot gevolg had dat Nasjonal Samling geen enkele zetel wist te behalen.

De Noorse Hitler Zonder vertegenwoordigers in het parlement raakte de partij in verval. In de zomer van 1935 werd in de pers uit de mond van Quisling opgetekend dat "hoofden zouden rollen" zodra hij aan de macht kwam. Verschillende prominente partijleden verlieten daarop Nasjonal Samling waaronder zijn broer Jørgen.

Quisling zocht internationaal aansluiting bij de fascistische beweging. Zo bezocht hij in december 1934 het Internationaal Fascistisch Congres in Montreux. De aanwezigheid van Italiaanse fascisten was schadelijk voor Quislings reputatie omdat Italië kort daarna Abessinië innam. Op de terugreis ontmoette Quisling de Duitse rassentheoreticus Alfred Rosenberg. Mede dankzij deze contacten was hij ten tijde van de parlementsverkiezingen van 1936 bekend komen te staan als de “Noorse Hitler”. Dit kwam deels door zijn groeiend antisemitisme. Bij de verkiezingen deed de partij het nog slechter in 1933.