Jean Louis Côme Vilar (Sète, 25 maart 1912 - aldaar, 28 mei 1971) was een Frans acteur en toneelregisseur.
Hij werd vooral bekend als acteur en regisseur, terwijl hij na zijn studies ook als jazz-musicus werkte. Samen met Jacques Copeau, Gaston Baty, Louis Jouvet, Jean-Louis Barrault en Charles Dullin maakte Vilar deel uit van de Franse vernieuwingsbeweging, die in een gedecentraliseerd théâtre populaire zou resulteren.
Vilar speelde een belangrijke rol in het brengen van het theater naar het publiek. Hij was meer dan een regisseur en een uitzonderlijk goede ondernemer, hij was een man wiens artistieke doelen doordrongen waren van zowel morele, sociale als esthetische overwegingen. De vragen die voor hem centraal stonden waren waarom en voor wie er theatervoorstellingen werden gemaakt. Na jaren wikken en wegen, vond hij het antwoord: "voor de man van de straat". Het democratiseren van het theater werd voor hem belangrijk, zowel uit moreel als sociaal oogpunt. Deze visie spoorde hem aan om het Festival van Avignon te starten en nieuw leven in de Franse Théâtre National Populaire (TNP) te blazen. Tijdens zijn directeurschap van het TNP kreeg het theater een belangrijke plaats met betrekking tot onderwijs en creativiteit in het Franse culturele leven.
In september 1943 startte hij zijn eigen theatergezelschap, de Compagnie des Sept. In september 1944 werden een aantal privévoorstellingen van "Don Juan" opgevoerd in het Théâtre du Vieux-Colombier van Charles Dullin. Dit werd opgevolgd door 230 ononderbroken opvoeringen van het "Moord in het Kathedraal" van T.S. Eliot, waardoor zijn naamsbekendheid toenam. Verder leidde Jean Vilar het Théâtre National Populaire (ook wel het Théâtre du Palais de Chaillot genoemd) tussen 1951 en 1963 en was hij de eerste leider van het Festival van Avignon tussen 1948 en 1971.
Biografie Van Charles Dullin naar het Compagnie des Sept In 1932 trok Vilar naar Parijs om Franse letterkunde te studeren aan de Sorbonne. Daar raakte hij geïnteresseerd in het theater toen hij een repetitie van Richard III bijwoonde in het Théâtre de l'Atelier van Charles Dullin. De interpretatie van Dullin raakte Vilar, en hij raakte gefascineerd door de transformatie dat literatuur onderging wanneer het op het toneel werd gezet. Hij werd gelijk een leerling van Dullin, en bracht de volgende drie jaren door met studies, acteren in kleine rollen en werkend als een assisterend toneel-manager. Vilar schitterde niet op het toneel, zoals zijn medestudent Jean-Louis Barrault, maar het begin van wat later een grote acteertalent bleek werd hier gemaakt.
Hij werd in 1937 opgeroepen voor militaire dienst en vervolgens gemobiliseerd in 1939. In 1940 werd hij op medische gronden uit de dienst ontslagen, en sloot hij zich aan bij de door André Clavé opgerichte theatergroep Comédiens de la Roulotte. Dit gezelschap had banden met de Jeune France beweging en trok tijdens de oorlog in Frankrijk van stadje naar dorpje, optredend op pleinen, in parochiegebouwen en cafés. Voor Vilar was het dit gezelschap een tussenstap, hij was bezig met het zoeken van het moderne repertoire waarop volgens hem de toekomst van het theater rustte. Totdat hij er in 1943 uit trad en naar Parijs terugkeerde om zijn eigen theatergroep op te richten, bleef hij werken bij de Comédiens de la Roulotte. Het nieuwe theatergezelschap kreeg de naam Compagnie des Sept.
Deze groep werkte in de traditie van Théâtre du Vieux-Colombier en het Théâtre de l'Atelier, er werd zelfs gezegd dat de compagnie mensen aan het l'Atelier in hun vroege dagen herinnerde. Vilar koos vooral toneelstukken die niet in het commerciële theater op de planken zouden worden gezet, zoals Césaire van Jean Schlumberger, de "Dodendans" en de "Storm" van August Strindberg en "Een reis door de nacht" door Sigurd Christiansen. De laatste, en tevens meest succesvolle productie was de eerste productie van "Moord in de kathedraal" van T.S. Eliot. Hiervoor werd de groep de "Prix du Théâtre" toegekend door de toen toonaangevende theatercritici. Kenmerkend voor deze producties was de nuchtere eenvoud waarmee ze op het toneel werden gezet, iets wat aan de producties van het Vieux-Colombier herinnerde. De eerste optredens vonden plaats in het kleine Théâtre de Poche in Parijs dat 60 stoelen had, maar kon naderhand grotere theaters zoals het Vieux-Colombier en het Noctambules vullen. Zijn reputatie als een gevoelige en intelligente acteur en regisseur groeide, evenals de reputatie van zijn gezelschap als een kwaliteitstheater. Hiernaast groeide echter ook zijn irritatie over het feit dat ze vooral voor theaterkenners optraden en de beperktheid van de moderne literatuur. Vilar ging nadenken over welke mogelijkheden er waren om in de toekomst het theater toegankelijker te maken.
Tijdens een aantal toespraken en interviews in de jaren 1945 en 1946 maakte hij zijn gedachten rondom de problemen van het theater bekend, die in 1955 werden gepubliceerd in de bundeling "De la tradition théâtrale". Hiermee plaatste hij zichzelf in de traditie van Copeau en het Cartel des Quatre, liet hij zijn respect voor wat zij bereikt hadden blijken terwijl hij geen wens had om hun stijl na te doen. Volgens hem moesten er radicale wijzigingen plaatsvinden om het theater verder te laten ontwikkelen. Zijn keuze voor een open toneel, iets wat zowel praktisch als ook symbolisch was, was een van de manieren waarop hij zijn visie van het theater als een artistieke en sociale kracht tot uitdrukking bracht. Volgens hem was de hoofdtaak van de mensen werkzaam in het theater, het theater naar de armere delen van de samenleving te brengen. Zelf wilde hij liever voor zijn eigen plezier voor een halfleeg theater spelen, dan voor een theater vol mensen die de dure kaarten gemakkelijk konden betalen. Ook wilde hij de zaalindeling van de theaters veranderen, ze waren ingedeeld naar de prijs van het kaartje. Dit waren allemaal reële problemen die opgelost zouden moeten worden om mensen (terug) naar de theaters te krijgen. Er was echter nog een probleem, namelijk dat de mensen geen behoefte hadden aan theater. Het publiek gaf geld uit aan voorstellingen die hen boeide zoals gevechten met ossen in het Midi ook al waren de kaarten hiervoor wel zo duur als de theatertickets. De passie voor het theater moest dus worden aangewakkerd.
Vilar was het eens met Copeau wat betrof het relevant maken van het theater voor het volk, echter verwachtte hij niet dat decentralisatie een rol zou spelen wat gevestigde regionale gezelschappen betrof. Hij veranderde later van mening wat het laatste betrof. Een andere zorg was dat de moderne auteurs, met uitzondering van Claudel, of te intellectueel waren of met een gebrek aan poëtische visie schreven. Vilar dacht ook na over de rol van de regisseur in het theater, iets wat in een lezing genaamd "Le metteur en scène et l'oeuvre dramatique" in 1946 tot uitdrukking kwam. Zijn conclusie was dat de belangrijkste mensen in het theater de laatste 30-40 jaar niet de auteurs waren geweest, maar de regisseurs. Dit betreurde hij ten zeerste, omdat het regisseren voor hem een secundaire, vertolkende kunst was die op het toneelstuk hoorde te bouwen en niet andersom.
Het Festival van Avignon In 1947 kreeg Vilar de kans om contacten met een nieuwe publiek te onderzoeken toen hem werd gevraagd een eenmalige opvoering van "Moord in de kathedraal" van T.S. Eliot in het Court d'Honneur van het Palais des Papes. Hij wees het in eerste instantie af, vanwege de problemen met de overgang van de kleine theaters in Parijs naar een open plaats en de technische problemen hiermee verbonden. Echter veranderde dit in een uitdaging die niet te weerstaan was, en een paar dagen later benaderde hij de gemeente met een voorstel voor een festival dat zeven dagen zou duren, drie grote producties zou bevatten naast het neerzetten van een toneel en drieduizend zitplaatsen. Dit werd het Une Semaine d'Art dramatique en Avignon oftewel "de week van dramatische kunsten in Avignon", de voorloper van het Festival van Avignon, dat vanaf 1948 telkens plaatsvindt. In tegenstelling tot de ouderwetse dramavoorstellingen die hiervoor in het Pauselijk Paleis werden opgevoerd, wilde Vilar het festival gelijk neerzetten als een dynamisch centrum voor theater.
Vilar zag hier de mogelijkheid om iets te doen wat niet mogelijk was in de theaters van Parijs, hij kon theater neerzetten dat als een feestelijke gebeurtenis ervaren kon worden. Niet als een sociale gebeurtenis voor de hogere klassen, maar iets van goede kwaliteit dat voor 'Jan en alleman' toegankelijk zou zijn. De nadruk moest op het theater komen te liggen, en niet op de historische omgeving waarin het uitgevoerd werd. Hij koos bijvoorbeeld voor het verlichten van het toneel en wat daar plaatsvond in plaats van het verlichten van de oude architectuur. Zijn keuzes waren tegengesteld tot wat mensen verwachtten. Hij liet de donkere wanden van het paleis samen met de nachthemel erboven werken als wanden en plafond. Hiermee kreeg de gebeurtenis een extra dimensie zonder dat de aandacht werd afgeleid van het toneelstuk. Net zoals "de zaal" tot de grootste eenvoud teruggebracht werd, werd ook het toneel eenvoudig gehouden, zonder decorstukken. Jean Vilar gebruikte een ongeveer 15 meter breed platform, zonder doek, als toneel. Meestal werden zijn producties met een minimum aan decor uitgevoerd, zoals in 'Richard II', waar hij alleen drie taboeretten gebruikte, of in "Prinz Friedrich von Homburg" van Heinrich von Kleist waar hij een gevangenis neerzette door een lichtgordijn van bovenaf te projecteren. Verder legde hij veel nadruk op de kostuums. Hierbij waren de kleuren en de eenvoud van groot belang. De verschillende rollen moesten goed van elkaar te onderscheiden zijn, zelfs op grote afstand van het toneel. Hierbij ontwikkelde hij een stijl wat productie betrof die het directe contact met de toeschouwers uitbuitte. De acteurs werden aangemoedigd om grootse optredens neer te zetten, zonder dat ze bombastisch werden. Zijn gezelschap bestond uit toegewijde, jonge acteurs en actrices zoals Jeanne Moreau, Sylvia Montfort, Jean Négroni en Gérard Philipe.
Het festival was succesvol en in 1951 werd het gezien als een van de meest innovatieve tonelen in Frankrijk. Jean Vilar twijfelde echter of het theater de mensen bereikte die hij voor ogen had in het begin. Door een tekort aan subsidies werd hij gedwongen om de toegangsprijzen hoger te zetten dan hij wilde, en ook "de zaal" in twee delen in te delen qua prijsbeleid. Pas in 1954, toen het TNP het festival overnam, kon hij de prijzen naar zijn hand zetten. Artistiek gezien was het festival een succes, en hij werd zowel nationaal als internationaal erkend als een voorbeeld van kwaliteit gecombineerd met populariteit. In 1951 wordt het "Petit manifeste de Suresnes" (het kleine manifest van Suresnes) gepubliceerd, waarin zijn ideeën rondom een theater voor het volk worden uiteengezet.
Aan het roer van het Théâtre National Populaire