Geschiedschrijving of historiografie is de geschreven interpretatie van het verleden of de geschiedenis. Ze werd beoefend door de eeuwen heen, en in verschillende culturen en beschavingen, waarbij de Historiën van de Griek Herodotus, uit de vijfde eeuw voor Christus, als het begin van de literaire geschiedschrijving worden beschouwd.

Een groot gedeelte van het verleden is volledig onbekend doordat het letterlijk en figuurlijk spoorloos verdwenen is. Geschiedschrijving is altijd een interpretatie. De historicus schrijft een gestructureerde tekst, op basis van een keuze uit het tot zijn beschikking staande bronnenmateriaal. Een zekere mate van subjectiviteit is daarbij onvermijdelijk, omdat de geschiedschrijver het te behandelen onderwerp vanuit zijn eigen wereld, zijn eigen opvattingen en zijn eigen maatschappelijke situatie benadert: het principe van de standplaatsgebondenheid.

De geschiedfilosofie reflecteert op de manier waarop geschiedschrijving tot stand komt.

In academische kringen wordt met 'historiografie' vaak de studie naar de geschiedschrijving zelf bedoeld: de geschiedenis van de geschiedschrijving. Na 1970 brak deze historiografie in engere zin, onder invloed van het postmodernisme, door als volwaardig historisch vakgebied. thumb|Herodotus en Thucydides.

Geschiedschrijving als politiek instrument De geschiedschrijving, als bron van informatie, werd doorheen de tijden door machthebbers gemanipuleerd. Geschiedschrijving wordt dan het verhaal van de dominerende cultuur, waarbij de verhalen van de verslagen volkeren of minderheden niet aan het nageslacht worden overgeleverd. De wetenschappelijke geschiedschrijving probeert de feiten te achterhalen, door zo veel mogelijk bronnen te raadplegen en te verifiëren. Maar door manipulatie van wat er in schoolboeken verschijnt, kan de kennis van een volk bijgestuurd worden naar wat de lokale machthebbers, of culturele leiders, veilige informatie vinden. Dit fenomeen blijft zich hardnekkig herhalen, ook in "moderne" tijden. Zo kan men totaal verschillende versies van dezelfde feiten aantreffen in geschiedenisboeken van verschillende landen of culturen.

Voorbeelden van het gebruik van geschiedschrijving als politiek instrument zijn van alle tijden en komen uit alle hoeken van de wereld. De bekendste grove manipulaties zijn die van de totalitaire regimes uit de 20e eeuw, met name de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog en verschillende communistische regimes. Een Nederlands voorbeeld is de Bataafse mythe.Trouw, 'Een loopje met de geschiedenis. Gearchiveerd op 8 maart 2018.

Klassieke Oudheid Mythe en geschiedenis liepen in de historiografie tijdens de klassieke oudheid vaak door elkaar. Naast het opvoeren van goden en heroën, de behandeling van de schepping van de wereld vanuit de Chaos, en de geschiedenis van beroemde steden, worden ook motieven en verklaringen gezocht voor het menselijk handelen. Bij de Grieken vindt men als motief vaak de individuele, bij de Romeinen de collectieve eer. Verklaringen worden gezocht in de hang naar macht, in emoties als trots en hybris, en in religieuze oorzaken als het (nood)lot: respectievelijk de Griekse tyche en de Romeinse fortuna. Van geschiedschrijvers zoals Herodotus en Thucydides werd verwacht dat ze, op een dramatische wijze en in een excellerende stijl, gebeurtenissen konden oproepen die de lezer beroerden, vanwege hun universele, menselijke dimensie. Geschiedenis was een onderdeel van de literatuur.

De belangrijkste thema’s waren oorlog, politieke geschiedenis, culturele verschillen, en het onderscheid tussen contemporaine geschiedenis en het verre verleden. Hierbij werd gebruikgemaakt van een levendig verhaal, anekdotes en van tegenstellingen: Grieken dan wel Romeinen tegenover barbaren, Athene tegenover rivaal Sparta, Rome tegenover rivaal Carthago, en van vergelijkingen: eigen en vreemd, oud en nieuw, en van redevoeringen en geschreven portretten.

De meeste historiografische geschriften uit de oudheid zijn verloren gegaan of slechts fragmentarisch bewaard.

Griekse Oudheid thumb|100px|Thucydides In de Griekse geschiedschrijving liepen mythe en werkelijke geschiedenis in meer of mindere mate door elkaar. Van belang voor de Griekse geschiedschrijving waren de logografen en de presocratische filosofen.

Een vorm van Griekse geschiedschrijving zijn de epen, met als bekendste de Ilias en de Odysseia van Homeros. Deze epen zijn in de 8ste eeuw v.Chr. ontstaan, maar gaan terug op een veel oudere mondelinge overlevering. In deze werken zijn de goden en helden de belangrijkste actoren die de geschiedenis beïnvloeden. Er is nauwelijks sprake van enige periodisering. Na Homeros was er in de klassieke historiografie meer plaats voor de mens binnen de geschiedenis.

Ten tijde van de Griekse kolonisaties werd de interesse voor de andere culturen, waarmee de Grieken toen in aanraking komen, groter. Ook was er meer aandacht voor de periodisering van de geschiedenis. Een goed voorbeeld hiervan was Hesiodos van Ascra. Hij schreef de Theogonia, waarbij de wereldgeschiedenis in vijf tijdperken werd onderverdeeld.

Een andere bekende geschiedschrijver uit die tijd was Herodotus van Halicarnassus. De Romein Cicero noemde hem enige eeuwen later al pater historiae, 'vader van de geschiedenis'. Herodotus' Historiën bevatten wel lof op de Atheense staatsvorm, maar blijven ook positief over de rivaliserende, Perzische cultuur. De rol van de goden is bij Herodotus nog slechts marginaal. Voortaan zijn het de menselijke ambities die de geschiedenis bepalen.

Thucydides wordt gezien als de echte auctor intellectualis van de geschiedwetenschappen en de historische methode. Hij legde veeleer de nadruk op het politiek-historische.

Romeinen De Romeinse geschiedschrijving was, meer dan de Griekse, een specialisme, dat vooral door politici werd bedreven. Er ligt meer nadruk op de politiek, en er is meer aandacht voor de deugd of virtus, waar bij de Grieken de eer een grotere rol speelde. De Romeinse geschiedschrijving bestond uit annalistiek en monografieën.

Dat de Romeinen opkeken naar de Griekse cultuur, blijkt ook uit hun historiografie. Zo werden de eerste geschiedenissen van Rome door de Romeinse annalisten Quintus Fabius Pictor en Lucius Cincius Alimentus in het Grieks geschreven, tijdens de Tweede Punische oorlog, rond 210 voor Christus.

De Griek Polybios, die van 168 tot 150 v.Chr. als gijzelaar van de Romeinen in Rome verbleef, is dé belichamer van de Grieks-Romeinse traditie. Polybius werd sterk beïnvloed door Thucydides, in de zin dat Polybius zich vooral met de toenmalige, contemporaine geschiedenis bezighield. Polybios vond dat een historicus moest beschikken over politieke ervaring en geografische kennis moest hebben.

thumb|150px|Marcus Tullius Cicero. Volgens een van de belangrijkste Romeinen uit de cultuurgeschiedenis, de advocaat, politicus en schrijver Cicero (106 – 43 v.Chr.), moest geschiedenis getuige van de tijd, licht van de waarheid, leven van het geheugen, meesteres van het leven zijn - 'historia vero testis temporum, lux veritatis, vita memoriae, magistra vitae'.

De Romeinse historicus Livius (59 - 17 n.Chr.) was geen politicus. Hij beschreef niet alleen zijn eigen tijd, maar ook het verre verleden. Livius’ levenswerk, Ab urbe condita - Vanaf de Stichting van de Stad getiteld, omvatte 142 boeken en liep tot aan de dood van Drusus, de vader van Claudius in 9 n.Chr. Van deze 142 boeken zijn er 35 overgeleverd. Met dit werk wilde Livius het Romeinse volk normen en waarden bijbrengen, door de lezer de grootheid van het vroegere Rome voor te houden: hoe een kleine staat door dapperheid en plichtsbesef tot een wereldrijk was uitgegroeid. Elk boek had een (on)deugd als thema, zoals vrijheid, vroomheid, wreedheid en weeldezucht. Hij maakte onder andere gebruik van redevoeringen als verteltechniek, bijvoorbeeld de speech van Hannibal tegen Scipio.

Tacitus (ca. 55-120) wordt vaak gezien als Rome's grootste historicus. Hij was senator onder Domitianus. In 90 verscheen zijn De origine et situ Germanorum of kortweg Germania. Dit is een onvervalste etnografie, waarin eerst de Germaanse levenswijze van haar bewoners besproken wordt, en er vervolgens wordt uitgeweid over de verschillende Germaanse stammen. Het is het enige bewaarde traktaat over dit volk, en daarmee een unieke bron voor onderzoekers. Het oude thema van contrast tussen het beschreven volk - de Germanen - en de Romeinen van zijn tijd heeft bij Tacitus zowel een moraliserend als informatief doel, want tijdens het principaat van Trajanus wordt men nog steeds geconfronteerd met het reële, dreigende gevaar dat uitgaat van de Germanen. Hij beschreef de Germanen echter ten onrechte als een geografische, etnische en culturele eenheid. Tacitus hield daarbij de Germaanse stammen ten voorbeeld aan de Romeinen, die hun deugden als strijdbaarheid, deugdzaamheid en sociale structuur waren verloren. Deze ophemeling door Tacitus van 'de Germanen' werd later door de nazi’s misbruikt voor hun racistische ideologie.

Historiae is het eerste van Tacitus' grote en grootse historische werken. Hij behandelt hierin de geschiedenis van Rome tijdens het driekeizersjaar 69 en onder de regering van de Flavii. Van de - vermeende - twaalf of veertien boeken resten slechts de eerste vier en het begin van het vijfde boek.

Ab excessu divi Augusti Annales is Tacitus' tweede grotere historische werk, dat handelt over de Julisch-Claudische dynastie vanaf de dood van de vergoddelijkte Augustus, waarvan waarschijnlijk het grootste deel geschreven is onder Hadrianus' regering (117-138). Van de vermoedelijke 18 boeken zijn slechts de boeken I tot IV in hun geheel bewaard, V en VI gedeeltelijk, en XI tot XVI beide zonder hun respectievelijk begin en einde. De eerste zes zijn jaarboeken, annalistisch van opbouw - vandaar de naam Annales, terwijl de laatste zich meer concentreren rond thema's of personen.

Zijn werk is volgens eigen zeggen geschreven sine ira et studio (zonder vooringenomenheid voor of tegen) en wordt gekenmerkt door bondigheid of brevitas, tegenstellingen als die tussen Claudius en Britannicus, en tussen Agrippina en Nero, vergelijkingen van een Germanicus met een Alexander, en biografieën zoals het psychologisch portret van Tiberius. Hij beschrijft de corruptie, de groei van de tirannie, en de teloorgang van de Romeinse vrijheid en onafhankelijkheid.

Middeleeuwen thumb|De heilige Jeronimus in zijn studeerkamer, 1475, Antonello da Messina. De middeleeuwse geschiedschrijving was vaak een geschiedenis van de schepping tot het einde der tijden, waarbij het bovennatuurlijke een grote rol speelde. Kenmerkend voor de middeleeuwse mentaliteit is een algemeen misnoegen met de bestaande situatie, een situatie, die naar men gelooft en hoopt, zal uitmonden in een eschatologische omwenteling.

Kerkvader Hiëronymus (347 - 420) introduceerde een periodisering van de wereldgeschiedenis, gebaseerd op het Bijbelboek Daniël. Hierin wordt koning Nebukadnezars droom uitgelegd door Daniël. De koning zou een schrikwekkend beeld hebben gezien met een hoofd van zuiver goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van koper, benen van ijzer en de voeten deels van ijzer, deels van leem. Het beeld zou hierna langzaam ineenstorten. Volgens Daniël stond het rijk van Nebukadnezar voor het gouden hoofd, maar na hem zou de neergang beginnen met een zilveren koninkrijk, gevolgd door een derde koninkrijk van koper. Het vierde koninkrijk zou hard als ijzer zijn, gevolgd door het eeuwige rijk Gods.

Hiëronymus zag deze rijken in zijn eschatologisch geschiedwerk achtereenvolgens als; het Babylonische rijk, het Medisch-Perzische rijk, het Macedonische rijk, het Romeinse rijk.

Pompeius Trogus had eerder al een vergelijkbare indeling gemaakt. En in het aan Hesiodus (8e eeuw v.Chr.) toegeschreven Werken en dagen is er ook al sprake van een gouden, zilveren, bronzen en een ijzeren tijdperk, in de mythe van Pandora. Ook Hesiodus meende al in de ijzeren tijd te leven.