Apomys is een geslacht van knaagdieren dat voorkomt in de Filipijnen. Dit taxonomisch complexe geslacht komt in vrijwel de gehele oceanische delen van de Filipijnen voor en heeft het grootste aantal soorten van alle endemische Filipijnse geslachten. Haar nauwste verwanten zijn drie andere Filipijnse geslachten, Archboldomys, Chrotomys en Rhynchomys, waarmee het de Chrotomys-divisie vormt. Apomys omvat kleine, op de grond levende of klimmende muizen met een lange staart, zachte, dikke vacht, lange, smalle achtervoeten en vier mammae op de buik.

Apomys is bekend van de eilanden Mindoro, Luzon, Catanduanes, Sibuyan, Negros, Panay, Biliran, Bohol, Leyte, Dinagat, Mindanao en Camiguin. In veel gevallen komen er meerdere soorten op een locatie voor.

Beschrijving Apomys is een geslacht van kleine muizen met een dikke, zachte vacht en relatief lange en smalle achtervoeten. De staartlengte is net zo groot als of groter dan de kop-romplengte. In een artikel over de verwantschappen tussen de Filipijnse muizen en rattenMusser & Heaney, 1992, p. 65-69 werden de volgende kenmerken als typisch voor Apomys gegeven: De morfologie van de snuit. Het rostrum is lang, smal en vierkant van vorm. De premaxillae lopen door tot voor de snijtanden. Op de bovenkant van het voorste gedeelte van de premaxillae zit een uitsteeksel. De nasalen zijn relatief recht. De foramina incisiva zijn zeer breed. Het palatum is dun, breed en lang; het steekt uit achter de derde kiezen. Vooral het achterste gedeelte zit vol met gaten en bobbels. De derde kies in de bovenkaak (M3) is zeer klein en bestaat uit een grote knobbel (waarschijnlijk de t5), met een knobbel (t1) op het buitenste gedeelte van de voorkant. In de derde kies in de onderkaak (m3) is de eerste rij knobbels aanwezig, maar de tweede bestaat uit slechts een knobbel die op de richel aan de achterkant van de m1 en m2 lijkt. De eerste en tweede kies in de bovenkaak (M1 en M2) bestaan uit hoefijzervormige laminae met daarachter een ovale knobbel; anders dan bij andere geslachten bestaan de laminae niet of nauwelijks uit duidelijke aparte knobbels. m1 bestaat uit een grote knobbel in de vorm van een omgedraaid hart vooraan, die de helft van de kies uitmaakt, een hoefijzervormig lamina en een richel aan de achterkant. Bij alle soorten, op A. datae (en inmiddels ook A. gracilirostris) na, lijkt de manier waarop de kop door slagaders van bloed wordt voorzien op die bij Crunomys; de morfologie verschilt wezenlijk van die bij andere geslachten. Er zit een gat tussen de bulla aan de ene kant en het os squamosum en het os alisphenoideum aan de andere kant. Er zit een inkeping, de fenestra subsquamosa, in het os squamosum boven de bulla. De achtervoeten zijn lang en smal. De laatste drie kenmerken zijn niet uniek voor het geslacht.

Het karyotype is variabel binnen het geslacht. A. datae heeft 2n=44, FN=54, A. hylocoetes 2n=48, FN=56, A. insignis 2n=36, FN=72, A. sp. F 2n=44, FN=88, A. musculus 2n=42, FN=52 en A. sp. A/C 2n=30, FN=50. De karyotypes van A. datae en A. musculus lijken op die van elkaar en van de verwante geslachten Rhynchomys, Chrotomys en Archboldomys en lijken waarschijnlijk op het karyotype van de voorouder van het geslacht.

In onderstaande tabel zijn maten van alle beschreven en twee onbeschreven soorten van Apomys opgenomen en ter vergelijking ook maten van verwante soorten. + Tabel 1. Maten van Apomys en, ter vergelijking, van verwante geslachten. Soort Totale lengte (mm)In sommige bronnen wordt uitsluitend de kop-romplengte gegeven. Dit wordt hier aangegeven met (KRL). Staartlengte (mm) Achtervoetlengte (mm) Oorlengte (mm) Gewicht (g) Schedellengte (mm) A. abraeMusser, 1982, tabel 4, 5 en 6. Voor de schedellengte zijn er maten van 19 exemplaren van A. datae, 21 van A. abrae en voor de overige maten van een exemplaar van elke soort. De maten van A. sp. A/C komen van die van A. littoralis in tabel 5 en 6 van Musser. Dat zijn vier exemplaren; bij een daarvan is de schedellengte onbekend. 125 (KRL) 130 34 18 - 33,2-37,2 A. camiguinensisHeaney & Tabaranza, 2006, tabel 1. Deze maten zijn gebaseerd op zes mannetjes en vier vrouwtjes voor A. camiguinensis, twaalf mannetjes en veertien vrouwtjes voor A. hylocoetes, twaalf mannetjes en dertien vrouwtjes voor A. insignis en vijf mannetjes en vier vrouwtjes voor A. sp. F. 246-266 (260,2; 253, 8) 140-160 (147,8; 146,3) 31-34 (33,2; 32,5) 18-20 (19,0; 19,0) 33-48,5 (41,1; 38,5) 27,84-29,24 (29,09; 28,27) A. datae 143 (KRL) 144 34 - - 37,0-40,6 A. gracilirostrisRuedas, 1995, tabel 2. Deze maten zijn gebaseerd op vier vrouwtjes en dertien mannetjes. 283-398 (314,1; 306,2) 135-185 (159,0; 161,2) 33-45 (38,8; 36,5) 14-22 (18,6; 19,2) 71-140 (87,4; 88,8) - A. hylocoetes 239-260 (251,9; 247,8) 127-150 (142,0; 140,5) 29-34 (31,7; 31,6) 18-22 (20,3; 20,1) 33-45 (39,5; 36,6) 27,14-29,60 (28,79; 28,44) A. insignis 231-272 (251,9; 251,8) 134-162 (147,0; 146,4) 31-35 (33,4; 32,8) 18-21 (20,1) 33-52 (37,8; 38,0) 26,80-28,55 (27,97; 27,75) A. microdonRickart et al., 1999, tabel 9. Deze maten zijn gebaseerd op zeven exemplaren van A. microdon en achttien van A. musculus. 226-256 (238; 238) 125-145 (134; 131) 25-28 (27; 27) 16-18 (17; 17) 24-42 (31; 35,4) 25,1-27,4 (26,0; 26,3) A. musculus 188-213 (205; 209) 102-121 (112; 116) 23-25 (24; 24) 15-17 (16; 15) 18-24 (20,4; 21,8) 23,4-24,7 (24,2; 23,8) A. sacobianus 141 (KRL) 149 40 22 - 38,0 A. sp. A/C 95-100 (KRL) 110-121 23-27 16-17 19,3-25,9 28,2-29,6 A. sp. F 230-259 (237,8; 245) 132-161 (140,2; 145,0) 29-32 (31,0; 30,0) 18-20 (19,8; 19,3) 24-32 (27,8; 31,5) 24,79-29,93 (25,82; 26,34) Archboldomys kalingaBalete et al., 2006, tabel 1 93-110 (101,8; 99,7) (KRL) 85-101 (95,2; 90,3) 22-26 (23,6; 22,7) 13-15 (14,1; 14,2) 20-31 (26,5; 24,0) 25,3-26,5 (26,0; 25,6) Rhynchomys soricoidesBalete et al., 2007, tabel 1 178-196 (187,7; 187,5) (KRL) 132-153 (141,0; 141) 40-42 (41,2; 40,8) 24-25 (24,6; 24,8) 135-180 (154,4; 157,5) 45,5-49,2 Chrotomys whiteheadiRickart et al., 2005, tabel 1 144-177 (159,6; 160,0) (KRL) 95-133 (116,4; 109,1) 35-42 (38,5; 37,6) 23-27 (24,0; 24,8) 73-160 (117,8; 108,3) 37,9-42,0 (39,6; 38,9)

Soorten Dit geslacht omvat de volgende 22 beschreven soorten:Heaney, L. R., Balete, D. S., Rickart, E. A., Alviola, P. A., Duya, M. R. M., Duya, M. V., ... & Steppan, S. J. (2011). Seven new species and a new subgenus of forest mice (Rodentia: Muridae: Apomys) from Luzon Island. Fieldiana Life and Earth Sciences, 2, 1-60.Heaney, L. R., Balete, D. S., Veluz, M. J., Steppan, S. J., Esselstyn, J. A., Pfeiffer, A. W., & Rickart, E. A. (2014). Two new species of Philippine forest mice (Apomys, Muridae, Rodentia) from Lubang and Luzon Islands, with a redescription of Apomys sacobianus Johnson, 1962. Proceedings of the Biological Society of Washington, 126(4), 395-413.Heaney, L.R., Balete, D.S., Duya, M.R.M., Duya, M.V., Kyriazis, C.C., Rickart, E.A., Steppan, S.J. and Rowsey, D.M. 2025-06-12. Three new species of Philippine forest mice (Apomys, Muridae, Mammalia), members of a clade endemic to Mindoro Island. Zootaxa 5647(1):1-26. Apomys abrae is een grote soort uit de bergen van Noord-Luzon. Apomys aurorae komt voor in noordoost-Luzon Apomys banahao komt voor op Mount Banahaw Apomys brownorum komt voor op Mount Tapulao Apomys camiguinensis, vroeger bekend als Apomys sp. D, komt alleen voor op Camiguin. Apomys crinitus, komt voor in Mounts Iglit-Baco National Park op Mindoro. Apomys datae, een grote Apomys uit Luzon, vormt samen met A. gracilirostris een clade. Apomys gracilirostris is een grote soort uit Mindoro. Apomys hylocoetes, de typesoort, komt uit de bergen van Mindanao. Apomys insignis, een nauwe verwant van A. hylocoetes, is van Mindanao en het nabijgelegen Dinagat bekend. Apomys iridensis komt voor op Mount Irid Apomys littoralis komt voor op Mindanao Apomys lubangensis komt voor op Lubang Apomys magnus komt voor op Mount Banahaw en Mount San Cristobal Apomys microdon is een kleine soort met een grote verspreiding op Luzon en Catanduanes. Apomys minganensis komt voor in de Mingan Mountains Apomys minor, komt voor rond Mt. Wood en Mt. Alibug op Mindoro. Apomys musculus is een andere kleine Apomys; deze soort is op Luzon, Mindoro en Dinagat is gevonden. Apomys sacobianus is een grote Apomys uit Midden-Luzon waar nauwelijks iets van bekend is. Apomys sierrae komt voor op Palaui-eiland en in de Sierra Madre Apomys veluzi, komt voor rond Mt. Abra de Ilog op Mindoro. Apomys zambalensis komt voor op Mount Tapulao Naast deze negen soorten bestaat er nog een groot aantal onbeschreven soorten. Een aantal hiervan heeft al een informele naam gekregen (Apomys sp. A tot en met A. sp. F), andere hebben geen enkele naam. Deze soorten worden hieronder besproken.

Apomys sp. A/C Apomys sp. A/C is bekend van Negros, Panay en Sibuyan. De populaties op Negros en Panay enerzijds en Sibuyan anderzijds werden aanvankelijk als aparte soorten gezien (respectievelijk A. sp. A en A. sp. C), maar deze bleken niet van elkaar te verschillen. Van deze soort zijn ook DNA-gegevens bekend; die wezen uit dat A. sp. A/C het nauwst verwant was aan A. sp. B, gevolgd door A. musculus en A. microdon. Het dier komt algemeen voor in bergregenwoud en moswoud van 800 tot 1600 m hoogte op Negros en Panay, maar wordt bedreigd door verlies van leefgebied. Ook op Sibuyan, waar het dier op 30 tot 325 m hoogte is gevangen in regenwoud, is vernietiging van de habitat een reële dreiging. De populatie op Negros werd aanvankelijk tot Apomys littoralis gerekend. Het karyotype bedraagt 2n=30, FN=50.

Apomys sp. B Apomys sp. B is uitsluitend van Sibuyan bekend en is daar gevonden in regenwoud op 325 tot 1325 m hoogte. Ook deze soort komt algemeen voor, maar wordt bedreigd door vernietiging van zijn leefgebied. Zoals hierboven vermeld is de soort genetisch het nauwste verwant aan A. sp. A/C.

Apomys sp. E Apomys sp. E komt uit Mindoro. Deze kleine soort lijkt op A. sp. A/C en A. sp. B en wordt naar verluidt bestudeerd door Andres Dans en anderen.

Apomys sp. F + Maten van Apomys sp. FRickart, et al., 1993, tabel 18. De gegeven maten zijn rekenkundig gemiddelde ±standaardafwijking (minimum-maximum). Maat Leyte Biliran Mannetjes Vrouwtjes Mannetjes Vrouwtjes Aantal exemplaren 22 16 6 5 Totale lengte (mm) 235 ±6,6(225-248) 237 ±9,5(224-250) 239 ±6,9(231-247) 239 ±8,1(230-246) Staartlengte (mm) 134 ±6,5(127-148) 138 ±6,1(136-149) 140 ±5,5(132-146) 137 ±5,0(132-142) Achtervoetlengte (mm) 30 ±0,9(28-32) 30 ±1,0(28-31) 32 ±0,8(31-33) 30 ±1,7(29-32) Oorlengte (mm) 18 ±1,1(17-20) 18 ±1,5(16-20) 18 ±1,3(16-19) 19 ±0,5(19-20) Gewicht (g) 30,3 ±2,55(27,0-34,5) 32,5 ±3,14(28,4-39,4) 30 ±4,0(24-35) 31 ±3,2(27-36) Apomys sp. F is bekend van Biliran, Bohol en Leyte. Deze soort werd in 1960 voor het eerst gevonden door Dioscoro Rabor op Leyte. Musser identificeerde Rabors exemplaren als A. microdon, maar later werden ze in A. littoralis geplaatst. Deze laatste soort was bekend van deze eilandpopulaties en van het beschadigde holotype, een jong dier uit Mindanao. Dit holotype is waarschijnlijk echter een exemplaar van A. insignis, zodat de populatie uit Leyte nog steeds geen geldige wetenschappelijke naam heeft. De soort ("the Leyte Apomys" genoemd) werd vrij uitgebreid behandeld in de beschrijving van A. camiguinensis en is daarmee de enige onbeschreven soort waar substantiële morfologische gegevens van gepubliceerd zijn.

De bovenkant van het lichaam is lichtrood, de onderkant vuilwit. De achtervoeten zijn vrij klein en smal en bevatten kleine, slanke klauwen. De staart bevat 13 tot 15 schubben per centimeter. De bovenkant van de staart is donkerbruin, de onderkant wit. Uit elke schub ontspringen drie haren. De haren op het grootste gedeelte van de staart zijn niet langer dan de schub, maar die bij de punt worden ongeveer twee keer zo groot als hun schub. Het karyotype bedraagt 2n=44, FN=88.