Patrice Emery Lumumba, (Onalua, Kasaï, 2 juli 1925 – 17 januari 1961 nabij Mwadingusha), was een Congolees politicus, voorman van de Mouvement National Congolais, een belangrijk politiek leider voor en na de onafhankelijkheid, en de eerste democratisch verkozen premier van de Republiek Congo. Samen met de eerste president Joseph Kasavubu leidde hij de prille onafhankelijkheid van Congo, maar werd al snel afgezet, gevangen genomen, mishandeld en vermoord. Hij wordt in de Democratische Republiek Congo en in Afrika geëerd als een nationale held.Aan Lumumba is alles onaf, dus overleeft hij in de kunst, De Standaard, 17 januari 2020

Biografie Jeugd Lumumba werd als Isaïe Tasumbu Tawosa op 2 juli 1925 geboren in het dorp Onalua in de provincie Kasaï in de toenmalige kolonie Belgisch Congo. Hij had drie broers, zijn familie behoorde tot het volk van de Tetela (Batetela). Moeder Julienne Amatu zou in 1940 scheiden van François Tolenga, haar gewelddadige en overmatig drinkende echtgenoot.

Op zijn dertiende ging Patrice Lumumba op school bij de Amerikaanse zendelingen van de Methodist Episcopal Congo Mission in het naburige Wembo-Nyama (sinds 2013 Lumumbaville), waar hij een verstandige en leergierige indruk achterliet, maar ook overkwam als arrogant en overgevoelig voor autoriteit. In 1943 werd hij daar weggezonden, vermoedelijk na een meisjesaffaire. In twee andere scholen hield hij het daarna niet lang vol en eind 1943 vertrok hij naar Kalima in Oost-Congo, waar hij werk vond in de tinmaatschappij Symétain: karweitjes in de kantine, totdat hij moest vluchten na geknoei met de kassa en diefstal. Toen nam hij de naam Patrice Lumumba aan, zijn achternaam was afkomstig van moederskant.

Begin carrière In het najaar van 1944 arriveerde hij in de dynamische hoofdstad van de Oost-Provincie, Stanleystad (Kisangani), waar hij werd opgevangen door stamgenoot Paul Kimbulu, een medisch assistent die in hoog aanzien stond, bij wie hij zes jaar kon inwonen. Daar vond hij werk bij de posterijen en volgde hij avondlessen bij de broeders maristen, wat hem het certificaat lager onderwijs opleverde. Lumumba ontdekte ook de koloniale samenleving en sloot zich aan bij de jonge évolués, die een betere sociale status nastreefden en keken naar ontwikkelingen elders in de wereld, zoals de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheidsstrijd in diverse koloniën over de wereld. Lumumba maakte carrière in de administratie en publiceerde voorzichtige artikelen in gevestigde tijdschriften als La Voix du Congolais en La Croix du Congo, het weekblad van Scheut. Van juli 1947 tot maart 1948 volgde hij een stage in Leopoldstad (Kinshasa) in de school van de posterijen, waarna hij in 1948 een vaste aanstelling als kantoorbediende kreeg bij het bestuur van de PTT in Stanleystad (Kisangani) en daar een bekende naam werd in politieke en vakbondsmiddens.

Vanaf 1950 ging hij zich steeds meer toeleggen op de journalistiek. Hij schreef over sociaal-economische onderwerpen, zoals de emancipatie van de Congolese vrouw en de trek van het platteland naar de steden. In 1955 werd Lumumba een van de 200 Congolezen (van de 13 miljoen) met een Carte d'Immatriculation. Dit was een geste vanwege de Belgische administratie jegens geëvolueerde inlanders, als bewijs van goed burgerlijk en beschaafd gedrag, maar die eigenlijk niets veranderde aan de sociale en politieke ongelijkheid. Hij werd daarna provinciaal secretaris van de Association du Personnel Indigène de la Colonie (APIC), kort daarop werd Lumumba voorzitter van deze vakvereniging van inlandse beambten in Belgisch Congo. Onder invloed van het tot dan toe onbekende antiklerikale beleid van de Luikse liberaal Auguste Buisseret, minister van Koloniën in de regering van Acker, werd Patrice Lumumba provinciaal ondervoorzitter van de Amicale Liberale. In Stanleystad hoorde hij nu bij de inheemse notabelen, twee zoontjes volgden er les op het interraciale lyceum.

Bij het bezoek van koning Boudewijn in 1955 was Lumumba een van de genodigden in de ambtswoning van de provinciegouverneur in Stanleystad. Het was de eerste maal dat zwarten en blanken elkaar op een officiële receptie ontmoeten. Lumumba werd voorgesteld aan de koning en hun geanimeerde gesprek overschreed de protocollair voorziene tijd. Hij vertelde achteraf dat hij bij de koning iets edelmoedigs had ervaren dat hem aansprak.

Het jaar daarop maakte Lumumba deel uit van een Congolees gezelschap dat op uitnodiging van minister Buisseret België bezocht. Hij maakte er kennis met liberale en andere politici en bedrijfsleiders. Ook in 1956 schreef hij een boek over het koloniale beleid, waarin hij de zienswijze van de Congolezen op hun situatie vertolkt, maar ook stelt dat het land belang heeft bij een voortgezette samenwerking met België. Het boek heet Le Congo terre d'avenir est-il menacé? en werd toegestuurd aan een Brusselse uitgeverij, die echter haar nek niet durfde uit te steken en de zaak traineerde, waardoor het boek pas in 1961, na Lumumba's dood, werd gepubliceerd.

Na zijn thuiskomst uit België op 1 juli 1956 werd hij gearresteerd: Lumumba zou maandenlang met de boekhouding van het postchequekantoor geknoeid hebben en in totaal 126 000 frank hebben verduisterd. Hij erkende geld uit de kas te hebben genomen, maar beweerde het slechts geleend te hebben en bezig te zijn om zijn schuld geleidelijk weer aan te zuiveren. Toch werd hij veroordeeld tot twee jaar gevangenis, in beroep en na een koninklijke genademaatregel herleid tot twaalf maanden. Dit veroorzaakte vooral een zwaar gezichtsverlies voor Lumumba bij de blanken.

In de gevangenis nam Patrice Lumumba steeds verder afstand van het perspectief op een langdurige Belgisch-Congolese samenwerking en hij werd beïnvloed door de groeiende roep voor onafhankelijkheid. Hij kreeg de gelegenheid om er veel te lezen, spiegelde zich aan de rol en de positie van Kwame Nkrumah in Ghana en stelde bij zijn vrijlating in 1957 vast dat zijn populariteit nog was toegenomen omdat de bevolking nooit geloofd had in zijn schuld en de veroordeling beschouwd werd als een koloniale strafmaatregel.

De posterijen weigerden hem weer in dienst te nemen, maar hij werd in Leopoldstad (Kinshasa) door een van de grootste brouwerijen van de kolonie, Brasseries du Bas-Congo, gevraagd om hun marketing manager te worden. Hij verdiende er een veelvoud van een PTT-salaris en slaagde erin om zowel de omzet van de brouwerij in de volkswijken van de hoofdstad te verhogen als zijn persoonlijke populariteit aan te zwengelen.

De etnische verscheidenheid in de hoofdstad dwong Lumumba om te laveren tussen de verschillende, meestal op etnische achtergrond gebaseerde, politieke stromingen, waaronder ABAKO van Joseph Kasavubu, die een nieuwe Bakongo-staat in Beneden-Congo nastreefde. Lumumba beleed daartegen een Congolees unitarisme en zocht daarvoor gelijkgezinden in diverse etnische groepen. In december 1957 was Kasavubu de grote overwinnaar van de eerste gemeenteraadsverkiezingen: Abako behaalde de absolute meerderheid in nagenoeg alle steden van Beneden-Congo en 133 van de 170 zetels van de hoofdstad Leopoldstad, waar de Bakongos nochtans de minderheid vormden. Lumumba vermeed conflicten met Kasavubu, hij nodigde hem uit voor een onderhoud maar het klikte niet. Niet enkel hun visies op de toekomst van Congo waren te verschillend, maar ook hun karakters waren dat: Kasavubu was een rustige en bedachtzame leraar met een zelfbeheerste uitstraling tegen de leidende volkstribuun Lumumba, die precies wist wat hij wilde en daar medestanders bij zocht.

MNC De Wereldtentoonstelling 1958 bracht de partijvorming in een stroomversnelling. Enkele honderden Congolese évolués uit alle streken van de kolonie werden onder meer als bezienswaardigheid aangevoerd, maakten kennis met elkaar, bezochten Brussel, ontdekten de groeiende tegenstelling tussen Vlamingen en Franstaligen in het land, de zelfkant van de Belgische samenleving en kregen zicht op de overschatte koloniale mogendheid.

Zodra de bezoekers terug thuis waren, was Lumumba bij de oprichters van de Mouvement National Congolais (MNC), op 10 oktober 1958. Het programma stelde als doel de onafhankelijkheid met behoud van de eenheid van het land, versnelde vorming van kaders (elites) en blijvend overleg met België.

Op de Pan-Afrikaanse conferentie in december 1958 in de Ghanese hoofdstad Accra schaarde Lumumba zich achter zijn grote voorbeeld Nkrumah, die Afrika als geheel wilde aansluiten bij de Beweging van Niet-Gebonden Landen. Daarmee vervreemdde Lumumba zich van gematigde leden van het MNC, die zich bovendien ook stoorden aan zijn ego en zijn autoritaire opstelling. Op 28 december hield Lumumba zijn eerste massameeting in de wijk Kalamu bij de hoofdstad, waar hij de massa vertelde over 'Accra' en de onafhankelijkheid van Congo in het vooruitzicht stelt: "Dipenda!"

Toen ABAKO een week later ook een bijeenkomst plande in dezelfde wijk, werd die in onduidelijke omstandigheden op de vooravond afgeblazen en verplaatst naar 18 januari, na de regeringsmededeling over Congo, die in Brussel was aangekondigd. Alleen werd dit nieuws te laat bekend en grote groepen mensen zakten af naar Kalamu, waar een toespraak van Kasavubu zijn doel miste en er opstootjes ontstonden die ernstig uit de hand liepen: dagenlang onlusten, de Force Publique schoot met scherp op opstandige betogers toen die de blanke stadswijk en het administratief centrum probeerden te bereiken, de commerciële wijk Foncobel brandde. Er vielen officieel 47 doden, officieus ongeveer vijfhonderd.

Het resultaat was dat ABAKO de schuld kreeg van de opstand. De partij werd door de koloniale overheid ontbonden, de verkozen gemeenteraadsleden afgezet en samen met de partijleiders gearresteerd, burgemeester Kasavubu incluis, hij werd een paar maanden naar België verbannen, tot in mei 1959. Lumumba was met zijn partijgenoot, journalist Mobutu, getuige van de gebeurtenissen en besloot dat hij met zijn MNC voordeel kon halen uit deze situatie, nu zijn belangrijkste concurrent was uitgeschakeld.

Op 13 januari 1959 hielden koning Boudewijn en premier Gaston Eyskens namens België een Congo-beleidsverklaring via twee afzonderlijke toespraken, vol met goede bedoelingen. Boudewijn was het duidelijkst en verklaarde dat Congo onafhankelijk zou worden zonder schadelijk dralen noch onbezonnen haast. Een precieze datum werd niet gegeven, maar Lumumba zelf stelde 1 januari 1961 voor. In december van 1959 won de MNC de verkiezingen met een overgrote meerderheid, hoewel Lumumba op dat moment opnieuw gearresteerd was, dit keer voor het verspreiden van politieke pamfletten.

thumb|Lumumba in Brussel (1960) Tijdens een rondetafelconferentie in januari 1960 in België werd besloten dat de onafhankelijkheid zou worden uitgeroepen op 30 juni 1960 en dat in mei van dat jaar verkiezingen zouden worden georganiseerd. Deze werden gewonnen door de MNC van Lumumba, die 33 van de 137 zetels kreeg. Lumumba en de MNC vormden de eerste regering op 23 juni 1960, met Lumumba als eerste minister en Joseph Kasavubu als president. Door de grote versnippering van de Congolese politiek telde de regering twaalf partijen.

Lumumba heeft de vernedering dat hij slechts premier mocht worden, ondanks het feit dat hij de grote triomfator van de verkiezingen was, nooit verteerd. Zo rukte hij eens de trofee uit de handen van Kasavubu die deze zou moeten uitreiken aan de winnaar van een voetbalmatch ter ere van de onafhankelijkheid om hem vervolgens zelf uit te reiken.David Van Reybrouck, Congo een geschiedenis, hoofdstuk 6

Onafhankelijkheid 30 juni 1960