Belgisch-Congo, vroeger soms ook als Belgisch-Kongo geschreven, was van 15 november 1908 tot 30 juni 1960 een kolonie van België en kwam overeen met het huidige Congo-Kinshasa.
Onafhankelijke Congostaat miniatuur|Leopold II, koning der Belgen, stichter en vorst-soeverein van de Onafhankelijke Congostaat. thumb|Kinderen die het slachtoffer werden van verminking door de autoriteiten van de Onafhankelijke Congostaat.
Belgisch-Congo werd op 15 november 1908 een Belgische kolonie. Voordien was het gebied sedert 1885 onder de naam Onafhankelijke Congostaat (ook wel Congo-Vrijstaat genoemd) door Leopold II geregeerd als soevereine staat. Door een nauwe samenwerking met de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley en dankzij een handige diplomatie gesteund vanuit de Verenigde Staten verkreeg Leopold II internationale erkenning van zijn Onafhankelijke Congostaat tijdens en na de Koloniale Conferentie van Berlijn. Zes maanden voor de conferentie hadden de Verenigde Staten immers in een gezamenlijke resolutie van het Amerikaans Congres al verklaard dat "de vlag van de Association internationale du Congo gelijk is aan die van een bevriende regering". Zij werden dan ook de eerste grootmacht die de Onafhankelijke Congostaat erkende. De ontsluiting en ontginning van Congo was aanvankelijk een zwaar verlieslijdende onderneming, ook voor de vorst persoonlijk. Toen echter aan het einde van de 19e eeuw de winning van rubber snel aan belang won, voornamelijk voor de opkomende automobielnijverheid, keerde het tij. De enorme winsten uit de rubber- en ivoorhandel wendden een staatsbankroet af en lieten Leopold II toe grote werken te bekostigen ter verfraaiing van België, zoals onder meer het Paleis der Koloniën in Tervuren en de koninklijke promenade in Oostende.
In geen tijd werd de Onafhankelijke Congostaat het toneel van een ware bonanza, waarbij de concessiemaatschappijen en de overheid zelf op drieste wijze steeds hogere winsten nastreefden, zonder enig respect voor de autochtone bevolking. Zo mondde het beleid van koning Leopold II uit in een schrikbewind, gekenmerkt door brute dwangarbeid en meedogenloze repressie. Arbeiders die de opgelegde quota niet vervulden of die de onmenselijke werkomstandigheden ontvluchtten, werden zwaar bestraft, vaak mishandeld, tot het afhakken van de handen toe, of zelfs standrechtelijk gefusilleerd. De volledige ontwrichting van de op uitbuiting gerichte ontwikkelingsmaatschappijen in het gebied van het evenaarswoud leidde bovendien tot een scherp dalend geboortecijfer, terwijl de snelle verspreiding van voorheen lokale of vanuit het westen geïmporteerde ziekten de mortaliteit omhoog joegen.
De schattingen over het totaal aantal slachtoffers variëren aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement heeft het over drie miljoen doden tijdens een periode van twaalf jaar. Peter Forbath noemt ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild spreekt van tien miljoen en de Encyclopædia Britannica spreekt van een totale bevolkingsafname van twintig tot dertig miljoen naar acht miljoen. Precieze schattingen zijn onmogelijk, omdat gegevens over de bevolkingsdichtheid in het 19e-eeuwse Congo ontbreken.
Dat de bevolkingsafname dramatisch was staat vast. De wandaden die tijdens de exploitatie van de Onafhankelijke Congostaat op grote schaal voorkwamen, zijn deels goed gedocumenteerd. In het Belgisch parlement spraken vooral de socialist Émile Vandervelde en de progressief liberaal Georges Lorand zich geregeld uit tegen de mistoestanden. Na de eeuwwisseling groeide een internationale campagne tegen het Congobeleid van Leopold II. Protestantse missionarissen namen hierin het voortouw, met onder meer de foto's van Alice Seeley Harris. Ook de Ier Roger Casement en de Brit Edmund Dene Morel toonden zich met hun Congo Reform Association heel actief. Joseph Conrad bespeelde in Heart of Darkness (1902) op literaire wijze hetzelfde thema, en ook de auteurs Mark Twain en Arthur Conan Doyle verhieven hun stem. In 1904 zag Leopold II zich genoopt een onderzoekscommissie samen te stellen om de beschuldigingen van Casement ter plaatse te verifiëren. Het rapport van deze Commissie-Janssens (1905) bevestigde vele van de geformuleerde aanklachten. Het werd een belangrijk instrument om de overname van de Onafhankelijke Congostaat door België te bespoedigen.Stengers, Jean, "Le rôle de la commission d'enquête de 1904-1905 au Congo", In Congo: Mythes et réalités, Bruxelles: Éditions Racine, 2005, pp. 159-179
Belgische kolonie miniatuur|400px|rechts|Kaart van Belgisch-Congo uit 1914. Op 18 oktober 1908 stemden de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat van de Belgische staat ermee in om Onafhankelijke Congostaat te annexeren, nadat Leopold II zijn laatste hoop om er een uitgestrekt Kroondomein in privébezit te houden eindelijk had opgegeven. Het gebied werd vanaf dat moment Belgisch-Congo genoemd. Een van de hevigste critici van een Belgische overname was het progressief-liberale kopstuk Georges Lorand.
De overname van Congo door België werd enerzijds gekenmerkt door continuïteit.Stengers, Jean, Congo: Mythes et réalités, Brussel: Editions Racine, 2005 Zo bleef de laatste gouverneur-generaal van de Onafhankelijke Congostaat, baron Wahis, in dienst als gouverneur-generaal van Belgisch-Congo, en met hem het merendeel van het oude bestuur. Ook bleef de klemtoon duidelijk liggen op de economische ontsluiting van het massieve Congobekken, en in het bijzonder van het ertsrijke Katanga, dat bovendien tegenover al dan niet vermeende Britse aanspraken verdedigd diende te worden. Tegelijk werden ook min of meer ingrijpende veranderingen doorgevoerd. Zo werd de ongebreidelde en vaak gewelddadige economische exploitatie, waar voornamelijk de private concessiemaatschappijen zich schuldig aan maakten, enigszins ingetoomd. Het Koloniale Charter verbood vooral tussen 1908 en 1914 expliciet elke vorm van dwangarbeid. Dit verbod werd echter niet gehandhaafd. Door de Eerste Wereldoorlog viel de Belgische staatscontrole op het verbod namelijk grotendeels weg. De concessiemaatschappijen konden daardoor een macht verwerven die ze zich na de oorlog haast niet meer lieten ontnemen, zodat in de praktijk dwangarbeid, in verschillende vormen en gradaties, bleef voorkomen tot na de Tweede Wereldoorlog.First published as Travail forcé pour l'huile de palme de Lord Leverhulme: L'histoire du Congo 1910-1945, tome 3 by Editions Paula Bellings in 2001. Wel werden geleidelijk meer middelen vrijgemaakt voor onderwijs en gezondheidszorg.
Wereldoorlogen thumb|Soldaten van de Force Publique tijdens de campagne in Oost-Afrika en in Kameroen
Belgisch-Congo was direct betrokken in de beide wereldoorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een langdurige patstelling tussen de Openbare Weermacht (Force Publique) en het Duitse koloniale leger in Duits-Oost-Afrika doorbroken door een gezamenlijk Angelo-Belgisch offensief in 1916. De Openbare Weermacht onder het bevel van generaal Tombeur behaalde in september 1916 een belangrijke overwinning door de verovering van Tabora, gelegen in het huidige Tanzania. Na de oorlog werd België beloond voor de deelname van de Openbare Weermacht aan de Oost-Afrikaanse Veldtocht: het verwierf van de Volkenbond een mandaat over de voormalige Duitse kolonie Ruanda-Urundi. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Belgisch-Congo een cruciale inkomstenbron voor de Belgische regering in ballingschap in Londen. De Openbare Weermacht nam opnieuw deel aan de geallieerde veldtochten in Afrika. Congolese troepen onder Belgisch commando vochten voornamelijk tegen het Italiaanse koloniale leger in Ethiopië.
Koloniaal bestuur miniatuur|Bestuurlijke indeling van Belgisch-Congo vanaf 1932. De kolonie werd bestuurd op basis van het Koloniale Charter van 1908.Senelle, R. en E. Clément, Léopold II et la Charte Coloniale, Editions Mols, 2009. De Belgische minister van Koloniën, benoemd door de Koning en bijgestaan door een Koloniale Raad (Frans: Conseil Colonial), vormde de uitvoerende macht voor de kolonie. De minister en de Raad zetelden beide permanent in Brussel. De hoogste vertegenwoordiger van het koloniale bestuur in de kolonie was de gouverneur-generaal. Van 1886 tot 1926 zetelde die in Boma, en vanaf 1926 in de nieuwe koloniale hoofdstad Leopoldstad.
Belgisch-Congo was aanvankelijk bestuurlijk ingedeeld in vier provincies: Leopoldstad (Leopoldville of Congo-Kasai), Evenaarsprovincie (Equateur), Oostprovincie (Oriëntale) en Katanga. Aan het hoofd van elke provincie stond een vice-gouverneur-generaal. De bestuurlijke hervorming van 1932 bracht het aantal provincies op zes, elk bestuurd door een provinciegouverneur. De twee, nieuwe provincies waren Kivu en Kasai.
De ruggengraat van het koloniaal bestuur vormde de zogenaamde territoriale dienst. Iedere provincie was ingedeeld in een aantal districten (24 in totaal), en ieder district in gewesten (territoires), aan het hoofd waarvan telkens een gewestbeheerder stond, bijgestaan door een of meer assistent-gewestbeheerders. De gewesten waren verder onderverdeeld in talrijke hoofdijen (chefferies), aan het hoofd waarvan het Belgisch bestuur traditionele hoofden (chefs coutumiers) aanstelde. De gewestbeheerder en zijn assistenten werden geacht hun gebied – vaak uitgestrekter dan een Belgische provincie – geregeld te inspecteren en maakten jaarlijkse verslagen op voor het provinciale bestuur. Inzake rechtspraak bestond er naast een Europees gerechtelijk apparaat ook een stelsel van inlandse rechtbanken (tribunaux indigènes), voorgezeten door de traditionele chefs, maar steeds onder de controle van het koloniaal bestuur.
De orde in de kolonie werd gehandhaafd door de Openbare Weermacht (Force Publique), een lokaal gerekruteerd leger onder Belgisch commando. Pas in de jaren vijftig werden ook eenheden van het Belgisch leger in Belgisch-Congo gelegerd – onder meer in Kamina.
miniatuur|Koning Albert I en koningin Elisabeth bezoeken het militaire kamp van Leopoldstad tijdens hun reis door Belgisch-Congo, 1928.
De koloniale staat, en bij uitbreiding elk gezag uitgeoefend door de blanken in Belgisch-Congo, werd door de inlanders aangeduid met de term "bula matari". Bula matari, of "breker van stenen", was de bijnaam die oorspronkelijk aan Stanley was gegeven, omdat die bij de aanleg van de eerste wegen veelvuldig gebruik liet maken van dynamiet om de rotsen te verbrijzelen.In het bijzonder in het heuvelachtige en moeilijk toegankelijke Neder-Congo, tussen Matadi en Leopoldstad. Overdrachtelijk verwijst de term bula matari naar de onweerstaanbare en dwingende kracht van het koloniale gezag.
Aantal Belgen residerend in Belgisch-Congo, 1900–1959:Vanthemsche, Guy, La Belgique et le Congo, Bruxelles: Editions Complexe, 2007, pp. 353-4 Jaar Belgen 1900 1.187 1910 1.928 1920 3.615 1930 17.676 1939 17.536 1950 39.006 1955 69.813 1959 88.913
Economisch beleid miniatuur|Rwandese arbeiders in de Kisanga-mijn, Katanga, jaren twintig. thumb|Congolese mijnwerker in Katanga werkend voor Union Minière, 1942. miniatuur|Shinkolobwe. De handgesorteerde ertsen uit deze mijn bevatten tot 65% U3O8 (twee grootteordes meer dan op enige andere plaats). De meerderheid van het Uranium voor het Manhattanproject kwam van deze mijn. miniatuur|Woningen voor inlandse arbeiders, Prins Leopold-kamp, Union Minière du Haut Katanga, jaren twintig. miniatuur|Koloniale propaganda rond 1920.