De geschiedenis van de westerse filosofie heeft betrekking op de filosofische tradities van de westerse wereld. Hiermee wordt van oudsher Europa bedoeld en later kwam de Nieuwe Wereld met Noord- en Zuid-Amerika daarbij. De westerse filosofie begon vorm te krijgen vanaf de zevende eeuw voor het begin van de gangbare jaartelling en is voor een belangrijk deel geworteld in de cultuur van het klassieke Griekenland en het Romeinse Rijk- net als de Arabische filosofie – en in de religies van het westen, voornamelijk het christendom. Ze kan grofweg worden ingedeeld in vier perioden: de klassieke filosofie, de middeleeuwse filosofie, de moderne filosofie en de hedendaagse filosofie.

De westerse filosofie heeft zich niet in volstrekt isolement van andere delen van de wereld ontwikkeld. In de derde eeuw leek Plotinus' idee over de ziel sterk op de hindoeïstische Brahman-Ātman-leer.H.J. Störig (Nederlandse vertaling van P. Brommer), Geschiedenis van de filosofie. Deel I, 1962 In de westerse postmoderne filosofie zijn ook duidelijk toenaderingen naar de oosterse filosofie zichtbaar, bijvoorbeeld bij een begrip als deconstructie.

Klassieke filosofie

thumb|De poleis in het klassieke Griekenland in de vijfde eeuw v.Chr.

De westerse filosofie laat men in het algemeen beginnen in de Griekse steden van westelijk Klein-Azië (Ionië), meer in het bijzonder Milete. De vroegste periode, presocratische filosofie, loopt ongeveer vanaf de zevende eeuw tot de vijfde eeuw voor Christus. De presocraten waren vooral natuurfilosofen en baseerden hun filosofie op gegevens uit de natuur. Deze allereerste Griekse denkers staan ook wel bekend als de Milesische natuurfilosofen. Alle Griekse filosofie van voor de tijd van Socrates staat bekend als de presocratische filosofie. Deze filosofie was hoofdzakelijk kosmologisch en kosmogonisch van aard. De presocraten zochten in de eerste plaats naar een fundamentele verklaring voor de natuurverschijnselen die zij om zich heen waarnamen, zoals zons- en maansverduisteringen en de jaarlijks terugkerende overstromingen van de Nijl nadat Sirius was opgekomen. Zij deden daarbij bewust geen beroep op de traditionele oud-Griekse godsdienst. Hun onderzoeksveld was geheel gericht op het uiterlijk waarneembare en het uiteindelijk vinden van de archè, het oerbeginsel. Het omvatte niet alleen wat tegenwoordig filosofie genoemd wordt, maar ook alles wat tegenwoordig wetenschap heet. Van geen van deze vroege schrijvers is een volledig werk bewaard gebleven.

Thales van Milete was een filosoof die actief was rond 585 v.Chr. en de obscure uitspraak "alles is water" naliet. Zijn bekendste studenten waren Anaximenes van Milete ("alles is lucht") en Anaximander ("alles is apeiron", oneindig/onbepaald). De iets jongere Anaximenes zag de lucht als het oerbeginsel, terwijl Pythagoras vermoedelijk (hij heeft zelf niets opgeschreven) de ziel als een op zichzelf staande entiteit zag die onstoffelijk en onsterfelijk was en door middel van zuivering ("katharsis") uit het lichaam bevrijd kon worden. Ook legde Pythagoras de basis voor de getaltheorie en verbond hij kennis van getallen rechtstreeks aan kennis van de werkelijkheid.

Andere denkers en scholen verschenen de volgende eeuwen in heel Griekenland. De belangrijkste ervan waren Heraclitus ("alles is van voorbijgaande aard, maar gehoorzaamt wel aan een 'logos' (ordening)"), Anaxagoras ("de werkelijkheid is zo geordend dat ze wel beheerst moet zijn door geest"), de pluralisten (Empedocles, "de wereld is samengesteld uit vier elementen") en atomisten ("de wereld is samengesteld uit ontelbare interagerende deeltjes"), de Eleaten, Parmenides en Zeno van Elea ("alles is één en verandering is onmogelijk", zoals geïllustreerd door Zeno's bekende paradoxen van beweging), de sofisten (die beweerden dat waarheid relatief is, en die bij Plato een slechte reputatie hadden). Deze hele beweging werd geleidelijk meer geconcentreerd in Athene, dat uitgegroeid was tot de dominante stadstaat van Griekenland. Xenophanes wendde zich uitdrukkelijk af van het Griekse pantheïsme.

Er is veel discussie over de reden waarom nu precies de Atheense cultuur filosofie zou aangemoedigd hebben. Een populaire theorie zegt dat de reden ervan ligt in het feit dat Athene een directe democratie had. Het is bekend uit Plato's geschriften dat veel sofisten in scholen gerespecteerde leden van de samenleving de kunst van het debat aanleerden, en dat ze goed werden betaald door hun studenten. Redenaars beïnvloedden de loop van de Atheense geschiedenis en waren soms verantwoordelijk voor falende ondernemingen, zoals in het geval van de Slag bij Lade. Een andere theorie zoekt de verklaring voor de geboorte van het filosofische debat in Athene in de aanwezigheid van slavenarbeid, waardoor de vrije mannelijke burgers meer (vrije) tijd hadden om zich met andere dingen bezig te houden. Bevrijd van het werken in de velden of andere economische activiteiten, waren zij in staat deel te nemen aan de Atheense vergaderingen en zich gedurende lange perioden te wijden aan de discussies over populaire filosofische vragen. Studenten van de sofisten trachtten van hen de vaardigheden te leren die hen in staat zouden stellen om de Atheense Volksvergadering te kunnen beïnvloeden. In reactie hierop werden de onderwerpen en de argumentatiemethoden sterk ontwikkeld door de sofisten.

Met de bloeitijd van de klassieke filosofie wordt de periode van de vijfde eeuw tot de derde eeuw voor Christus aangeduid. De sleutelfiguur in de transformatie van de Griekse filosofie is Socrates. Naar verluidt zou hij na een bezoekje aan het Orakel van Delphi in de straten en openbare gebouwen van Athene doorgebracht hebben om te onderzoeken of het echt zo was dat niemand in de stad wijzer was dan hij. Zoals het wordt voorgesteld door Plato en Xenophon onderzocht hij op een kritische manier een aantal begrippen die gewoonlijk als probleemloos werden beschouwd. Socrates wees erop dat het vaak aan een heldere definitie ontbrak, en dat bestaande opvattingen contradicties inhielden, of gebaseerd waren op onduidelijke grondregels en overtuigingen. Hij schreef zelf niets, maar inspireerde vele volgelingen, waaronder veel zonen van vooraanstaande Atheense burgers, zoals Plato. Uiteindelijk werd hij aangeklaagd, op de beschuldiging dat zijn filosofie sofisterij was die de vroomheid van de jeugd ondermijnde en de morele kern van Athene aantastte (399 v.Chr.). Hij kreeg de kans om te vluchten, maar verkoos om in Athene te blijven en trouw aan de wetten van Athene de gifbeker met dollekervel (de opgelegde straf) te ledigen.

Socrates' belangrijkste leerling was Plato, de oprichter van de Akademeia van Athene. Hij schreef veel dialogen, waarin hij filosofische problemen onderzocht volgens de socratische methode. Enkele centrale ideeën van Plato's dialogen zijn: de theorie van de Ideeën (of Vormen): de geest heeft een aangeboren vermogen om na te denken over concepten die uit een werkelijkheid van hogere orde stammen en die als onveranderlijk en universeel gelden, en kan zich deze kennis weer bewust maken; het idee van de onsterfelijke ziel die superieur is aan het lichaam en aan de goden verwant; het idee van het kwaad als het ontbreken van kennis; het idee dat ware kennis leidt tot ware deugd; het idee dat kunst ondergeschikt is aan ethiek; het idee dat de samenleving van de stadstaat moet worden beheerst door een klasse van bezitloze filosoof-koningen, die de top van een hiërarchisch model vormen waarin iedere burger naar verdiensten zijn taak krijgt. In de latere dialogen treedt Socrates minder prominent op, maar Plato maakte voordien waarschijnlijk al gebruik van de figuur van Socrates om ook zijn eigen filosofische gedachten te laten verwoorden. Interessant is dat Plato in zijn beroemdste werk, De Staat (Politeia), de democratie bekritiseert, de tirannie veroordeelt en een drieledige maatschappelijke structuur voorstelt met werkers, wachters en filosofen. Hij verdedigt hier ook als ideaal het opgeven van individueel bezit en volledige dienstbaarheid aan deze ideale staat. Geen onschuldige zou daar ooit ter dood gebracht worden dankzij het streven van de filosoof-koningen naar absoluut geldende waarheid, hun zorg voor het algemeen welzijn en het ontbreken van zelfzuchtige motieven bij deze klasse van regeerders.thumb|Romeinse kopie van een Grieks beeld van AristotelesPlato's belangrijkste leerling was Aristoteles, misschien wel de eerste echte systematische filosoof. De logica van Aristoteles was de eerste vorm van logica die trachtte elk geldig syllogisme te categoriseren. Een syllogisme is een vorm van argument waarvan de geldigheid van de conclusie gegarandeerd wordt door de veronderstelling dat deze vorm van redeneren aanvaard wordt door alle goed opgeleide personen. Een cruciale aanname in de Aristotelische logica is dat het moet gaan om echte objecten. Twee van Aristoteles' syllogismen zijn volgens moderne opvattingen ongeldig. Bijvoorbeeld: "Alle A zijn B. Alle A zijn C. Daarom zijn een aantal B C." Dit syllogisme faalt immers als verzameling A leeg is en B toch echte elementen bevat. In de syllogistische logica van Aristoteles zou dit echter wel gezegd kunnen worden, want zijn logica mag alleen worden gebruikt voor dingen die echt bestaan (geen "lege klassen" dus.)

Een student in de aristotelische logica moest voorafgaand een vrij groot aantal syllogismen uit het hoofd leren. Diagrammen hielpen bij het memoriseren ervan, alsook het leren van een sleutelzin waarbij de eerste letter van elk woord naar de naam van een syllogisme verwees. Elk syllogisme had dus een naam, bijvoorbeeld: "Modus ponens" had de vorm van "Als A waar is, dan is B waar. A is waar, dus is ook B waar." De meeste studenten memoriseerden zijn negentien syllogismen over twee onderwerpen wat hen in de gelegenheid stelde om subject en object op een geldige manier met elkaar te verbinden. Een paar begaafde studenten ontwikkelden systemen met drie onderwerpen, of beschreven een manier om de regels met drie onderwerpen uit te werken.

Aristoteles verwierp echter de Ideeënleer van Plato en daarmee ook de op deze leer gebaseerde verklaringen voor filosofische vraagstukken. In plaats daarvan probeerde hij door middel van empirisch onderzoek naar alternatieve verklaringen te zoeken. Hij analyseerde daarbij onder meer de taal in een poging de structuur van de werkelijkheid te doorgronden, en legde zo de eerste fundamenten voor moderne wetenschappen als de biologie, de scheikunde, de natuurkunde en de politicologie.

De Romeinse filosofen komen eigenlijk pas op in de nabloei van de klassieke filosofie van de derde eeuw tot de eerste eeuw voor Christus. De bekendste Romeinse filosofen zijn Cicero en Seneca. Cicero vormt het begin van een filosofische traditie bij de Romeinen. Hij vertaalde filosofische teksten vanuit het Grieks in het Latijn. Hij kan worden gezien als een eclectisch filosoof zonder een echt eigen systeem.E. Jans et al., Cicero philosophicus: Gedachten over goden en geluk, 1999, Voor de latere filosoof Seneca staat een kracht die het heelal ordent centraal. Hij noemde deze kracht de rede (ratio), de voorzienigheid (providentia), het noodlot (fatum), de godheid (deus) of de natuur (natura).Joseph Ysebaert, Seneca CE '95, 1994, Zowel Cicero als Seneca borduurden direct voort op de Griekse filosofie, waarbij zij een voorkeur hadden voor de filosofie van de Stoa.

Middeleeuwse filosofie

Patristiek thumb|Een fresco van Sandro Botticelli met de Heilige Augustinus