De mottenvanger is het twaalfde stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het is geschreven en getekend door Willy Vandersteen, die deze keer bij het inkten van de laatste stroken enige hulp kreeg van François Joseph Herman. Het verhaal werd gepubliceerd in De Standaard en Het Nieuwsblad van 8 december 1948 tot en met 15 april 1949.
De eerste albumuitgave was pas negen jaar later, in 1957, als inmiddels een van de laatste verhalen in de Vlaamse ongekleurde reeks. Het verhaal kreeg hier albumnummer 31. Op 1 juni 1973 werd de ingekleurde versie van De mottenvanger uitgebracht, nu in de Vierkleurenreeks met albumnummer 142.Suske en Wiske Overzichtscatalogus
In 1994 verscheen de oorspronkelijke versie opnieuw in de reeks Suske en Wiske Klassiek.
Personages Suske, Wiske met Schanulleke, Lambik, tante Sidonia, de godin Diana, Diogenes van SyropeDiogenes van Syrope staat voor Diogenes van Sinope (slimme zot van de stad), Feniksen, Orakels, Tutofrutos (organisator van de Olympische Spelen), Pro-PagandexPro-Pagandex staat voor propaganda (Hamadryade, de "bosnimf" ofwel de mottenvanger, dienaar van de god Mars), Schachtorex
Locaties De Ardennen, de achterkant van de maan, Parthenontempel, de berg Olympos
Het verhaal
Na een voorstelling bij Pats' Poppenspel krijgen Suske, Wiske, Lambik en Sidonia een krant in handen. Ze lezen dat de wereld op het punt staat te vergaan; er is een projectiel afgeschoten vanaf een andere planeet. De Sterrenwacht van Ukkel heeft dit projectiel gezien in het sterrenbeeld Saturnus. Het lijkt allemaal met een sisser af te lopen; het projectiel belandt zonder enige schade aan te richten op een onbekende plek.
De vrienden gaan de volgende dag op vakantie naar de Ardennen. Ze zien ’s nachts een geheimzinnig figuur vlak bij hun kamp, een soort levend wit hemd zonder onzichtbaar iemand erin. Lambik hoort op de autoradio een bericht over een proefraket die door het Amerikaanse Instituut voor Ruimte Onderzoek naar de maan is geschoten, en nu is neergekomen ergens in België; dit moet het onbekende projectiel zijn waar het in het nieuws over ging. Terwijl ze het hemd achternazitten, treffen de vrienden midden in het bos de raket aan. Ze gaan naar binnen en merken niet dat het hemd intussen ook instapt. Lambik zorgt er per ongeluk voor dat de raket opstijgt. Het hemd valt door een luik en wordt daar per toeval opgesloten. Het probeert hen te doden door de zuurstofaanvoer te stoppen, maar Lambik vindt op tijd glazen helmen met cilinders met geperste lucht.
De vrienden landen op de maan. Wiske wil de achterkant van de maan bekijken, omdat die vanaf de Aarde nooit zichtbaar is. Doordat de zwaartekracht hier veel minder sterk is dan op Aarde, kunnen de vrienden grote afstanden afleggen. Het hemd vliegt met de raket weg en laat de vrienden achter op de maan. Even lijkt hun lot bezegeld, maar dan slaat er een meteoor in. De vrienden worden weggeblazen, en ze belanden in een prachtig bosrijk landschap waar gewoon zuurstof is. Wiske vindt ook water. Samen met Suske komt ze even later bij een tempel uit de Griekse oudheid. Diana, de godin van de jacht, vertelt hun dat verderop mensen wonen. Diana schiet ook een pijl af; er wacht een gevleugeld paard op de vrienden op de plek waar deze pijl neerkomt. Als de vrienden in problemen komen, moeten ze een offer brengen in de tempel van de Olymposbergde Olymposberg staat voor de berg Olympus. De vrienden vliegen op het paard naar een stad die precies lijkt op het Oude Athene.
Wiske ziet hoe het hemd met de oliekandelaar motten vangt, maar ze wordt gezien als ze voorkomt dat het hemd een man die in een ton ligt te slapen slaat. Het hemd gaat ervandoor. De man in de ton is Diogenes van Syrope, een filosoof die het gelukkigst is zonder enige bezittingen. De vrienden mogen voorlopig in zijn huis wonen in de Acropolissteeg 79. Het blijkt dat er twee volken met een oud-Griekse beschaving op de achterkant van de maan wonen; de (feministische) Feniksen en de (vrouwen-hatende) Orakels. Lambik weet een belager van Diogenes uit te schakelen. Daarop wordt hij vanwege zijn bijzondere vaardigheden door Stobbelerix, de organisator van de Olympische Spelen, uitgenodigd om aanvoerder te worden bij een vijfkamp tegen de Orakels. Lambik moet met de Olympische fakkel ook een ronde lopen ter ere van de tegenstanders. Het hemd wil deze fakkel saboteren, zodat het vriendschappelijke sportfeest tussen Feniksia en Oraklia zal ontaarden in een totale chaos.
Na de wedstrijden hardlopen, springen, vuistvechten en worstelen staan beide teams gelijk en het schijfwerpen zal de einduitslag brengen. Lambik wint de wedstrijd, maar dan klinkt een stem bij het vuur en de mensen horen dat de schijf van Lambik is uitgehold. Dat blijkt inderdaad zo te zijn, ook al is Lambik onschuldig. Er breekt een gevecht uit en de kinderen gaan een offer brengen in de tempel bij het beeld van Zeus. Dan begint het hard te regenen en de vechtende mensen gaan uiteen. Lambik mag de nieuwe bewoonster van de Parthenontempel kiezen en dit wordt tante Sidonia, zij zal heersen als Keizerin van Feniksia. Lambik is echter kwaad omdat tante Sidonia een belangrijkere functie krijgt dan hijzelf, en hij zondert zich af. Het hemd slaat hem neer en ontvoert hem. De betrekkingen tussen Feniksia en Oraklia worden slechter. Suske kan Wiske uit Oraklia bevrijden, maar wordt zelf gevangengenomen. Wiske ziet het hemd ’s nachts weer op het strand, terwijl hij bezig is motten te vangen. Ze volgt hem en komt terecht in een groot gebouw.
Wiske ziet dat Lambik een betoverd brouwsel van de mottenvanger krijgt en daarmee in diens macht komt. De mottenvanger roept "Lambikares" spontaan uit tot keizer van Oraklia, en draag hem vervolgens op om Suske met een pijl te doden. Even later hangt Suske, ogenschijnlijk dood, aan een pilaar. Intens bedroefd tracht Wiske het lijk naar Feniksia te brengen, maar ze wordt aangevallen. Dan komt Suske opeens bij kennis; de pijl was blijven steken op zijn identiteitsplaatje. Samen kunnen ze ontkomen. "Lambikares" roept de bevolking van Oraklia op tot oorlog tegen Feniksia. Als tante Sidonia het verhaal van de kinderen hoort gaat ze zelf naar Oraklia. De mottenvanger onthult dat zijn echte naam Pro-Pagandex is en dat hij de voornaamste dienaar is van Mars, de god van de oorlog. Hij werd naar de gewone mensenwereld gezonden om te laten zien hoe hij ook daar oorlog kon ontketenen. Het lukt de mottenvanger vervolgens om tante Sidonia te overmeesteren en een grot in te slepen, waar hij ook haar het brouwsel laat drinken zodat ze gewetenloos en oorlogszuchtig wordt. Als "keizerin Sidonera" wil ze enkel nog door middel van geweld rijk worden. Als Lambik binnenkomt, gaan de twee het gevecht aan. Pro-Pagandex komt tussenbeide en zegt tegen hen dat ze hun volken moeten ophitsen en dan wapens bij hem moeten kopen.
Suske en Wiske worden opgesloten als Sidonia hoort dat zij niet willen meevechten. De volgende dag vertrekt een oorlogsvloot richting Oraklia en onder invloed van drank gaan beide legers elkaar te lijf. De Feniksen moeten zich terugtrekken en Suske en Wiske kunnen ontsnappen uit hun cel. Ze kunnen Sidonia in een kruik verstoppen en doen zich voor als de keizerin. Als de mottenvanger aankomt kunnen de kinderen hem verslaan en stoppen hem ook in een kruik. De kinderen rijden naar het huisje waar ze eerder een olievlek zagen en vinden daar het laboratorium van de mottenvanger. Sidonia krijgt hier het juiste tegengif zodat ze weer helemaal bij zinnen komt. De vrienden maken het laboratorium onschadelijk, maar door de ontploffing breekt ook de kruik zodat de mottenvanger kan ontsnappen.
Lambik gaat met zijn oorlogsvloot naar Feniksia. Ook krijgt hij opnieuw een drankje van de mottenvanger. Suske en Wiske raken tante Sidonia kwijt op weg naar Feniksia. Ze proberen de bewoners van de stad te kalmeren. Lambik heeft van de mottenvanger een pakje met daarin Schanulleke gekregen, en hij chanteert Wiske nu door voor de stadspoort van Feniksia te dreigen het popje met paarden uit elkaar te laten trekken. Schanulleke wordt net op tijd gered, maar dan proberen de Orakels de stadsmuur met stormrammen te doorbreken. De aanval kan lange tijd worden afgeslagen. Tante Sidonia komt per toeval aan bij het oorlogsschip van Lambik. Ze neemt Lambik gevangen en brengt hem naar Feniksia.
Er ontploft een gebouw in Feniksia vlakbij doordat de mottenvanger een geheim wapen dat hij nog achter de hand heeft inzet, de "V-raket". Lambik wordt zo bang van dit nieuwe wapen dat hij de hele toverdrank weer uitzweet, zodat ook hij nu weer normaal is. Ook de stadspoort wordt getroffen door het geheime wapen. De Orakels weten zodoende ongehinderd de stad binnen te komen. Wiske bedenkt een nieuwe list: ze stuurt de vrouwen van Feniksia met hun kinderen naar de soldaten, die hierdoor op slag zachtaardig worden en stoppen met vechten. De mottenvanger geeft het echter nog steeds niet op en hij vuurt opnieuw een projectiel af, waar hij zelf aan blijft hangen. Dankzij Lambiks hulp stort het projectiel neer zonder nieuwe schade aan te richten, alleen vliegt het kleed van de mottenvanger in brand. Voordat zijn geest zal opstijgen naar de Hoogste Rechter, vertelt de mottenvanger nog aan de vrienden dat hij in zijn vorige leven een wapenhandelaar was, en door de beschaving zonder werk kwam zitten, waardoor hij verhongerde en in een onzichtbare geest veranderde. Op Aarde had hij geleerd dat men een oorlog kan ontketenen door leugens en ophitsing, en dit deed de mottenvanger in eerste instantie zelf met succes op de maan. Tegelijkertijd besefte hij dat de mensen ook ooit weer beter zouden weten en weer vrede zouden sluiten. Daarom oefende hij alvast in het mottenvangen, zodat hij ook nog iets te doen zou hebben als de oorlogen voorbij zouden zijn. Tot slot toont hij zelf berouw.
De vrienden vinden de raket weer en ze keren terug naar de Aarde.
Achtergronden Voor dit verhaal putte Vandersteen voor het eerst sterk inspiratie uit de Griekse mythologie. Ook was dit het eerste Suske en Wiske-verhaal dat zich voor een deel op een ander hemellichaam afspeelde (hier de maan). François Joseph Herman was indertijd de eerste medewerker van Vandersteen bij de productie van de Suske en Wiske-verhalen. Later zou Vandersteen het maken van de Suske en Wiske-strip gaandeweg steeds meer uit handen geven; in 1972 droeg hij de regie over de strip uiteindelijk volledig over aan Paul Geerts. In de oorspronkelijke versie heet de krachtpatser die Lambik uitdaagt: "Constantinus Lemarinex", een woordspeling op Constant le Marin, een destijds bekend Belgisch worstelaar. Onder meer de godin Diana en filosoof Diogenes maken hier hun opwachting. De gebeurtenis waarbij soldaten hun strijd staken wanneer hun vrouwen hen confronteren met hun kinderen is gebaseerd op het toneelstuk Lysistrate van Aristophanes. De mottenvanger werd pas voor het eerst in albumvorm uitgebracht ná De dolle musketiers, hoewel het al vier jaar eerder was gemaakt. Zodoende ontbreekt het personage Jerom in De mottenvanger. Vanaf de eerste albumuitgave van De mottenvanger is de tekst op het laatste plaatje gewijzigd, waardoor Lambik hier Jeroms naam even noemt. De raketten die de mottenvanger afvuurt zijn duidelijk verwijzingen naar de V1- en V2-raketten, wapens die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel werden gebruikt.
Uitgaven
Externe link Samenvatting op suskeenwiske.ophetwww.net
Categorie:Stripverhaal van Suske en Wiske Categorie:Werk gebaseerd op Grieks-Romeinse mythologie Categorie:Stripalbum uit 1957 Categorie:Stripalbum uit 1973 Categorie:Stripalbum uit 1994 Categorie:Stripalbum uit 2019 Categorie:Stripverhaal uit 1948 Categorie:Stripverhaal uit 1949