Carel Victor Gerritsen (Amersfoort, 2 februari 1850 - Amsterdam, 5 juli 1905) was een Nederlands politicus.

Gerritsen was een feminist, neo-malthusiaan en politicus die als radicaal-liberaal in het district Leeuwarden tot Tweede Kamerlid werd gekozen. Hij diende een initiatiefvoorstel in dat het mogelijk maakte voor gemeenteraadsleden en statenleden om in plaats van de eed de belofte af te leggen. Hij was tevens gemeenteraadslid en later drie jaar wethouder in de gemeente Amsterdam.In april 2018 vernoemde de gemeente Amsterdam de in het Vondelpark gelegen brug 452 naar hem Hij was de medeoprichter van de Radicale Bond en de Nieuw-Malthusiaansche Bond.

Hij was de echtgenoot van Aletta Jacobs, arts en strijder voor het vrouwenkiesrecht. Zij trouwden in 1884. Gerritsen overleed aan de gevolgen van maag- en darmkanker kort nadat hij in 1905 opnieuw tot Tweede Kamerlid was gekozen.

Gerritsen legde vanaf zijn 25e levensjaar een collectie van boeken aan over de vrouwenbeweging. Samen met zijn vrouw Aletta Jacobs breidde hij deze bibliotheek verder uit.

Levensloop Gerritsen werd geboren op 2 februari 1850 in Amersfoort. Hij was het tweede kind van de in totaal zeven kinderen van Hendrik Aloijsius Gerritsen en Elisabeth Brasser Rijss. Hij werd geboren in een Nederlands Hervormd gezin waarin vader een succesvolle graanhandelaar was. Gerritsen volgde na het doorlopen van de openbare lagere school van 1862 tot 1865 een opleiding op een particuliere school genaamd “Inrichting voor Onderwijs in Koophandel en Nijverheid” in Amsterdam, waar alleen kinderen van welgestelde ouders naar school gingen. Hier kreeg hij onder andere les van N.G. Pierson, die later minister van financiën zou worden. Het sprak voor zichzelf dat Gerritsen zijn opleiding zou volgen aan deze school, omdat zijn vader dit zag als een geschikte opleiding als voorbereiding voor een baan in de graan- en foeragehandel. Gerritsen wilde graag verder studeren, maar zijn vader verbood dit, omdat hij hem nodig vond op de zaak.

Om praktijkervaring op te doen vertrok hij na afronding van zijn opleiding in 1866 naar Groningen, dat een belangrijk centrum van de graanhandel was, waar hij de kneepjes van het vak leerde. Groningen was een vooruitstrevende stad, waar het “vrije denken” en radicale politieke ideeën ingang vonden. Niet alleen Gerritsen verbleef op dat moment daar, ook de schrijver Eduard Douwes Dekker, beter bekend onder het pseudoniem Multatuli. In 1868 deed Multatuli een lezingentournee door het hele land heen en vanzelfsprekend bezocht hij ook Groningen. Multatuli was in die tijd erg controversieel, vooral om zijn kritiek op het Nederlandse koloniale bewind. Het zou dus goed kunnen dat Gerritsen in Groningen voor het eerst in aanraking is gekomen met radicale ideeën, zowel op politiek als sociaal-cultureel gebied. Gerritsen bleef contact houden met Multatuli. De raakvlakken tussen Multatuli en Gerritsen waren dat beiden feministen, vrijmetselaars en vrijdenkers waren en voorstanders van uiteenlopende zaken zoals het vrije huwelijk en crematie.

In 1869 keerde Gerritsen terug naar Amersfoort. Daar werd hij in 1871 "meester" in de Haarlemse vrijmetselaarsloge Vicit Vim Virtus, nadat hij het "carrièrepatroon" van "leerling" - "passant" had doorlopen. Door alle contacten met de wereldverbeteraars van die tijd veranderde onder andere Gerritsens visie op het geloof en werd hij onkerkelijk. Zo weigerde hij aan tafel te bidden, naar de kerk te gaan en ook om aangenomen te worden in de kerk, wat zorgde voor een conflict tussen Gerritsen en zijn orthodox-protestantse ouders. Het was in die tijd gebruikelijk dat men op 18- of 19-jarige leeftijd de kerkelijke richting van zijn ouders koos, maar dat weigerde hij. In 1869 breekt Gerritsen met de Nederlandse Hervormde kerk.

Tussen 1870/1871 en 1874 bracht Gerritsen een periode in Engeland door om buitenlandse ervaring op te doen. Hij vond werk op een Londens handelskantoor. In de hoofdstad kwam hij in contact met feministen, politiek radicalen en sociale hervormers, iets wat van grote betekenis is geweest voor zijn intellectuele vorming. Een grote man in die kringen was de atheïst Charles Bradlaugh, die in 1866 de vereniging The National Secular Society (NSS) had opgericht en van wie Gerritsen onder de indruk geraakt moet zijn tijdens de vele bijeenkomsten van de NSS waar Bradlaugh sprak. Ook ontmoette hij de feminist Annie Besant en de gebroeders Drysdale, waarvan Charles Robert Drysdale de oprichter van de Malthusian League was, wat Gerritsen wellicht later heeft geïnspireerd om de Nieuw-Malthusiaanse Bond op te richten. Die streefde ernaar om de negatieve gevolgen die, in zijn ogen, overbevolking met zich meebracht, ongedaan te maken door geboortebeperking.

Raadslid in Amersfoort Omdat zijn vader een ernstige oogaandoening kreeg die kon uitlopen op blindheid, moest Gerritsen de leiding over de zaak overnemen. In 1876 keerde Gerritsen vanuit Londen weer terug naar Amersfoort waar hij met zijn broer David (en aanvankelijk ook met zijn vader) in het familiebedrijf aan de slag ging. Vanaf dat moment werden zijn maatschappelijke activiteiten steeds uitgebreider. Zo pakte hij de draad van de vrijmetselarij weer op. Hij was tussen 1875 en 1878 zeer actief als ceremoniemeester, penningmeester en hofmeester in de Amersfoortse loge die hij en zijn vader hadden opgericht onder de naam van Jacob van Campen. Ook werd hij in 1880 actief in de vrijdenkersvereniging De Dageraad, waar hij rond 1881 penningmeester werd. De Dageraad voerde strijd tegen de macht van de kerken en de bevoorrechting door de overheid van gelovigen boven atheïsten. Vanaf 1882 maakte hij tevens deel uit van de redactie van De Dageraad, het maandblad van de vereniging, waarin hij publiceerde over de discussie met de socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis over de zogenaamde eedskwestie. Het was gebruikelijk bij het aanvaarden van een politieke functie om een eed af te leggen waarin werd verwezen naar god. Gerritsen verdedigde Charles Bradlaugh in de eedskwestie, tijdens het jaarlijkse congres van de Internationale Federatie van Vrijdenkersvereenigingen t e Parijs in 1881, in naam van zijn vrijdenkersvereniging De Dageraad. Bradlaugh weigerde als nieuw lid van het Engelse parlement de eed af te leggen op grond van de verstrengeling van kerk en staat. Toch heeft Bradlaugh zijn eed na veel protest afgelegd, om zijn zetel niet te verspelen.

In 1881 werd Gerritsen in de gemeenteraad gekozen. Zijn intrede in de politiek ging niet zonder slag of stoot. Al in het begin van zijn tijd als raadslid viel hij op doordat hij weigerde de eed af te leggen. Hij wilde volstaan met een belofte (zonder verwijzing naar god). Uiteindelijk ontkwam Gerritsen er net zoals Bradlaugh ook niet aan toen hij beëdigd werd. Daarnaast was Gerritsen een nieuwkomer die met zijn komst de Amersfoortse gemeenteraad opschrikte met zijn kritische houding jegens de gevestigde bestuurselite. Hij wilde bijvoorbeeld openbaarheid van bestuur. Hij vond dat raadsverslagen in de krant opgenomen zouden moeten worden en dat de raadsvergaderingen in de avond plaats zouden moeten vinden zodat ook burgers deze bij zouden kunnen wonen. Bovendien twijfelde hij zeer aan de competenties van mederaadsleden en burgemeester en wethouders, waarvan de wethouders volgens hem ook nog eens te veel vergoeding voor hun functie kregen. Ook zouden wethouders te gemakkelijk herbenoemd worden. Door zijn kritische opstelling werden een burgemeester en een wethouder tot aftreden gedwongen. Zo kwam hij bekend te staan als een enfant terrible. Daarnaast bewees Gerritsen zich als feminist doordat hij zich inzette voor beter meisjesonderwijs en de bescherming van prostituees. Hij verliet in 1885 de Amersfoortse gemeenteraad. Met zijn afscheid van de Amersfoortse gemeentepolitiek was het echter niet gedaan met zijn politieke ambities. In augustus 1885 vertrok hij, wellicht teleurgesteld door zijn ervaringen in de Amersfoortse gemeenteraad en uit onvrede met zijn werkzaamheden in het familiebedrijf, naar Amsterdam. Hij trok zich terug uit het familiebedrijf dat hem financieel onafhankelijk maakte. Amsterdam was op dat moment dé plek waar vrijzinnigen bij elkaar kwamen en dit trok Gerritsen waarschijnlijk ook aan. Hij ging aan het Oosteinde wonen, een buurt die werd gebouwd voor de nieuwkomers.

Raadslid in Amsterdam In Amsterdam mengde Carel Victor Gerritsen zich al snel in een groep jongeren die werd aangeduid met de naam “Jong Amsterdam” door de jonge Frank van der Goes onder het pseudoniem Ph. Hack van Oudheusden. Zij hadden interesse in politiek, cultuur, literatuur, staatskunde en wetenschap. In Amsterdam had voorheen de politiek (maar ook de andere genoemde gebieden) toebehoord tot een kleine elitaire groep, maar door de toegenomen welvaart en toegenomen zelfbewustzijn ging een nieuwe groep zich met de politiek bemoeien. De basis van deze nieuwe groep bestond uit de kleine burgerij, zakenlieden en zelfs werklieden. In navolging van Frank van der Goes kan Gerritsen gezien worden als een van de homines novi: een nieuwkomer deels afkomstig uit “de provincie”. Maar Gerritsen mag dan wel een nieuwkomer zijn, een heer was hij wel. De kern van “Jong Amsterdam” bestond wellicht uit niet meer dan een honderdtal individuen, maar hun invloed was veel groter doordat zij in diverse bladen zoals het culturele en literaire tijdschrift De Nieuwe Gids, het opinieblad De Amsterdammer, het weekblad voor Handel, Industrie en Kunst publiceerden om hun mening kenbaar te maken. In De Nieuwe Gids publiceerde Frank van der Goes, tijdgenoot van Gerritsen, bijvoorbeeld een vierdelige serie over “Jong Amsterdam”. In het februarinummer van 1888 analyseerde hij de politieke kant van de groep “Jong Amsterdam”. De delen die hij tussen 1888 en 1891 schreef, vertoonde de geesteswending die Van der Goes in deze periode meemaakte. Volgens Van der Goes was de Sturm und Dranggeneratie verspreid over een heterogeen aantal verenigingen, maar was het politieke streven hetzelfde. De politiek diende zich bezig te houden met het behartigen van de belangen van alle mensen, en met name de belangen van hen die tekort werd gedaan. Hij predikte dus een liberalisme met een sociaal gezicht. Uit deze generatie kwamen de Radicalen voort die datzelfde gedachtegoed aanhingen.