Wrocław (; Duits: Breslau, Silezisch-Duits: Brassel, Jiddisch: Bresle; Tsjechisch: Vratislav; Latijn: Vratislavia) is een stad in Centraal-Europa in het zuidwesten van Polen, gelegen aan de rivier de Oder. In Wrocław kruisten twee handelsroutes: Via Regia en de Barnsteenroute. De stad behoorde tot de Hanze. Wrocław is de belangrijkste historische stad van Silezië en was de hoofdstad van de Pruisische later Duitse provincie Neder-Silezië. Van de 13e eeuw tot 1945 was de bevolking overwegend Duitstalig. Sinds 1999 is Wrocław de hoofdstad van de Poolse woiwodschap Neder-Silezië. Tevens is het een bisschopsstad.

Wrocław telt () inwoners, waarmee het de derde stad van Polen is. In 1871 was het als Breslau de derde stad van Duitsland, na Berlijn en Hamburg.

Geschiedenis thumb|links|De Sint-Aegidiuskerk, gebouwd door de heilige Hedwig von Andechs, echtgenote van de hertog van Silezië. De kerk werd gebouwd in de jaren 1241-42 na de Mongolenstorm en de Slag bij Wahlstatt. thumb|Breslau rond 1640 thumb|Breslau rond 1736.

Wrocław ligt centraal als verkeersknooppunt en bovendien in een vruchtbare landbouwstreek in Neder-Silezië, het gebied waar als oudste bij naam bekende volken de Germaanse Silingen en Lugiërs woonden. Na hun westwaartse vertrek werden zij in de 6e eeuw vanuit het oosten opgevolgd door West-Slavische volken. Om de belangrijke handelsnederzetting te beschermen en te controleren werd rond het jaar 800 een burcht aangelegd door het adellijke geslacht van de Přemysliden van wie Vratislav I van Bohemen een belangrijke voorvader was. Gelatiniseerd leefde deze naam al die tijd als Vratislavia voort. In de middeleeuwen werd de stad in het Duits Preßlau, Breslaw en ten slotte Breslau genoemd. In het Pools bleef de naam Vratislav in Wrocław (een verkorting van Wrocisław) behouden.

Voor het jaar 1000 trachtten zowel de hertogen van Polen als de hertogen van Bohemen hun gezag in dit gebied te vestigen en na een korte periode waarin de laatsten dominant waren, slaagde hertog Bolesław I van Polen erin de vesting Vratislava in het jaar 990 te onderwerpen. Later in de elfde eeuw kwam het tot opstanden tegen de Poolse heerschappij. Om de Poolse invloed te versterken stichtte Bolesław ter plaatse een bisdom, vallende onder de Poolse kerkprovincie van het aartsbisdom Gnesen, terwijl het aartsbisdom Maagdenburg zich ook in Silezië probeerde te vestigen. Om de Poolse koningen op afstand te kunnen houden, verbonden de hertogen van Silezië - ze zouden uitgroeien tot vier verschillende families met elk een eigen hertogdom - zich opnieuw met de koningen van Bohemen en Moravië (het hedendaagse Tsjechië). Om hun onafhankelijkheid te bewaren was het de strategie van de Silezische hertogen de Poolse en de Boheemse koningen tegen elkaar uit te spelen. Om de nederzetting bij de burcht van de hertog van Vratislava/Breslau werd een aarden wal aangelegd als bevestiging en daarbinnen werden de eerste kerken van hout opgericht. Eerste bewoners waren Joden, Denen, Walen en Duitsers in de toen zeer nog ruime zin van het begrip (ook Vlamingen behoorden daartoe), en natuurlijk ook Slavische Sileziërs uit de directe omgeving. Ze woonden in afzonderlijke wijken. De ontwikkeling van een inheemse Slavische burgerij werd geremd door de horigheid die de Poolse adel hun oplegde en wilde blijven handhaven. Mede daarom verleenden begin 13e eeuw de hertogen en de burchtheer privileges aan handelaren en handwerkers uit het Heilige Roomse Rijk om zich onder hun eigen recht in de stad te vestigen, waardoor de stad een Duits karakter zou krijgen. Dit vond plaats in het kader van een expansie van het Rijk die de Poolse koningen als bedreiging te lijf gingen. Met succes want in 1109 werd de Rooms-Duitse keizer Hendrik V verslagen door Poolse troepen in de Slag bij Hundsfeld (het huidige Psie Pole), en moesten de Silezische hertogen zijn gezag aanvaarden maar daarna wendde de Silezische adel zich toch gaandeweg af van de Poolse koning. In 1146 zwoer als eerste hertog Wladislaus de Balling de leenseed aan de Rooms-Duitse koning Koenraad III van Hohenstaufen. In de twee eeuwen daarna zouden alle Silezische hertogen hun leenheer binnen het Heilige Roomse Rijk zoeken en die was in 1326 de koning van Bohemen geworden. Omdat Bohemen tot het Duitse Rijk behoorde, was Silezië zodoende ook een deel van dat Rijk geworden.

In 1241 werd de enkele duizenden inwoners tellende stad door de Mongoleninval afgebrand en uitgemoord. Daarna werd de wederopbouw in handen gegeven van kolonisten uit het Duitse Rijk die de stad verzelfstandigden met eigen, zogenaamd Duitse, stadsrechten (1262). Daarin waren autonome rechtspraak en de inrichting van vertegenwoordigende raden en gilden met hun monopolies geregeld. Deze monopolies op handel en productie tot in de wijde omgeving gaven een grondslag aan de economie van de stad. De aarden omwalling werd versterkt met stenen muren en de bevolking vertienvoudigde in deze veiliger omgeving in een eeuw.

In de loop van de 15e eeuw verzwakte de zelfstandigheid van Bohemen en in 1526 verwierf het huis Habsburg het koningschap van Bohemen. Silezië zou dientengevolge ook Habsburgs en nauw aan Oostenrijk verbonden worden. De inmiddels in het westelijke deel van Silezië (Neder-Silezië) grotendeels Duitstalig geworden bevolking, ging in deze tijd, door haar intensieve contacten met Thüringen en Saksen, grotendeels over tot het lutheranisme. In 1523 gebeurde dat als eerste in Breslau waar alleen een minderheid, die binnen de bisschoppelijke en kloosterlijke gerechtigheden leefde, rooms zou blijven. Nadat Habsburg in 1621 met geweld de oppositie van de Boheemse standen had neergeslagen, werd in Bohemen de contrareformatie op drastische wijze ingevoerd. In Silezië werden de lutheranen nog wel geduld maar moesten zij overal de kerken afstaan. Alleen in enkele machtige hertogdommen rondom Breslau, te weten (Wohlau, na 1945 Wolow, Liegnitz, nu Legnica, Brieg, nu Brzeg en Oels, nu Olesnica) bleef het lutheranisme voorlopig nog wel dominant. Elders werd de katholieke orde hersteld, vaak met een verdrijving van protestanten, of op zijn hoogst met het gedogen van hun aanwezigheid, zonder recht op kerken en gemeenschapsgebouwen. De Breslauer burgerij was te machtig om te kunnen worden gedwongen, maar moest haar geloof wel op veel bescheidener wijze gaan belijden. Het rooms-katholieke leven werd sindsdien door de Habsburgse Oostenrijkers feestelijk en triomfantelijk vormgegeven; een hogeschool onder leiding van jezuïeten moest daarvoor het intellectueel-godsdienstige leven gaan funderen. Om zich van die invloed te kunnen ontdoen, vroeg Breslau in 1633 tevergeefs de status van vrije Duitse rijksstad aan. De stad verloor veel van zijn macht door plunderingen van Silezië in de uitgebroken Dertigjarige Oorlog (1618-1648). De helft van de bevolking stierf aan de pest en de stad, met het omringende land, zakte weg in een lange periode van stagnatie, wat overigens een opbloei van (Duitstalige) (religieuze) literatuur en kunst niet in de weg stond. Daaraan zijn de namen verbonden van Martin Opitz, Friedrich von Logau, Daniel Caspar von Hohenstein, Christoph Köhler, Wenzel Scherffer von Scherffenstein, en Dorothea Eleonore von Rosenthal, en na afloop van de oorlog Andreas Gryphius, Christian Hofmann von Hofmannswaldau, Daniel Casper von Lohenstein. Onder invloed van de verwoestende oorlog deed zich een bijzondere, van de wereld afgewende, religieuze ontwikkeling voor in de 'Silezische mystiek' en daaraan zijn de namen van Angelus Silesius (Johannes Scheffler), Abraham von Frankenberg, Christian Knorr von Rosenroth en Daniel Czepko von Reigersfeld verbonden. Economisch zou Silezië echter minder bloei vertonen en een periode van meer dan twee eeuwen stagnatie tegemoet gaan. De contrareformatie was daarbij niet bevorderlijk voor materiële ontwikkeling. De lutherse bevolking van Breslau en die van de genoemde lutherse hertogdommen behield een zekere mate van godsdienstvrijheid, maar lutheranen in katholieke Silezische hertogdommen moesten ondergronds hun geloof gaan belijden en weken voor vervolging vaak uit over de grens naar Polen, waar ze door de Poolse adel bepaalde grensgemeenten in Groot-Polen (later Posen of Poznań geheten), toegewezen kregen als vrijplaats om zich te vestigen of hun godsdienstoefeningen te houden. Niet uit verdraagzaamheid maar omdat die adel grote verwachtingen had van de, over deze nijvere vluchtelingen te heffen, belastingen. Vanuit het tolerante Breslau werden ze dan met opleidingen voor hun predikanten en de uitgave van religieuze werken gesteund, en overigens ook de Poolse protestanten die na de contrareformatie hier en daar in Polen nog in schuilgemeenten konden voortbestaan, kregen vanuit Breslau steun met een theologische opleiding en de uitgave van Poolstalige godsdienstige literatuur.

In 1741 veroverde Frederik de Grote van Pruisen Silezië, en dat was een bevrijding voor de lutherse meerderheid en geen al te grote nederlaag voor de katholieken, die in het bezit bleven van de meeste kerken, waaronder die welke de Habsburgers eerder aan de protestanten ontnomen hadden. Langzaam herstelde Breslau zich als Pruisische provinciehoofdstad, wat vooreerst niet in de schone kunsten en de literatuurproductie tot uitdrukking komt: alleen een langjarig verblijf in de stad van de grote verlichte literator Gotthold Ephraim Lessing is te vermelden. De hele 18e eeuw bleef Silezië oorlogstoneel tussen Pruisen en Oostenrijk omdat de Habsburgers herhaaldelijk hoewel tevergeefs poogden hun vroegere provincie terug te veroveren. Daarna zou de oorlogsdruk niet ophouden want de Franse keizer Napoleon gebruikte een aantal garnizoenssteden als uitvalsbases tegenover Rusland en Oostenrijk, juist in dit strategische doorgangsgebied. Pas nadat Napoleon van het toneel verdween, werden in Breslau de stadbevestigingen gesloopt en de kloosters geseculariseerd. De universiteit van Frankfurt an der Oder verhuisde hierheen en het door de Habsburgers opgerichte Jezuïetencollege moest zich in 1811 met haar verenigen in de "Viadrina Wratislaviensis" tot een godsdienstig paritaire universiteit die in 1911 werd omgedoopt tot Friedrich-Wilhelms-Universität. Het katholieke bisdom Breslau werd in 1821 losgemaakt van het (Poolse) aartsbisdom Gniezno. Omdat Polen door de ‘delingen’ dan grotendeels onder Rusland is gevallen, waar het Poolse nationale zelfbewustzijn werd onderdrukt, zou Breslau zich tot een uitwijkplaats gaan ontwikkelen voor Poolse nationale ballingen. Door de vriendelijke verstandhouding tussen Pruisen (Duitsland) en Rusland werd hun werkingsveld later weer ingeperkt en moesten zij uitwijken naar Krakau dat toen onder Oostenrijk ressorteerde, en waar een Pools nationaal klimaat binnen zekere grenzen wel getolereerd bleef.

thumb|links|Marktplein in Breslau aan het eind van de 19e eeuw thumb|links|Hetzelfde plein in 2005