Kentrosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Stegosauria, dat tijdens het Laat-Jura, zo'n 155 miljoen jaar geleden, leefde in Afrika.
De eerste fossielen van Kentrosaurus werden in 1909 gevonden in Duits Oost-Afrika. Het dier kreeg zijn naam die zoiets als 'stekelsauriër' betekent toen in 1915 de typesoort Kentrosaurus aethiopicus benoemd werd. Van Kentrosaurus zijn vele honderden botten opgegraven zodat de geleerden een goed beeld kregen van de bouw van het dier. Alleen de schedel is nog slecht bekend.
Kentrosaurus werd tegen de vijf meter lang en rond een ton zwaar. Hij had een kleine kop aan het uiteinde van een beweeglijke nek. De voorpoten waren kort maar heel stevig. De lange rechte achterpoten droegen het grootste deel van het gewicht van het dier. Op de nek en de voorste romp stonden twee rijen beenplaten die naar achteren overgingen in twee rijen lange stekels op de heup en de staart. Door met zijn stekelige staart te zwiepen kon Kentrosaurus zich verdedigen tegen roofsauriërs. Omdat zijn benen zo recht waren, kon hij daar niet voor wegrennen. Met zijn langwerpige kop beet Kentrosaurus stukken van laaggroeiende planten af die hij zonder te kauwen inslikte om ze in de grote buikholte te verteren. Misschien ging hij ook op zijn achterpoten staan om wat hogere planten te bereiken.
Vondst en naamgeving Alle bekende fossielen van Kentrosaurus werden gevonden tijdens de Duitse expedities naar de Tendaguru Formatie in het toenmalige Duits-Oost-Afrika, het huidige Tanzania. In 1909 werden losse botten gevonden die men herkende als behorend tot een of andere ornithischiër. Op 24 juli 1910 begreep Werner Janensch, de illustraties in de publicaties van Othniel Charles Marsh bekijkend, dat het ging om een Afrikaanse verwant van Stegosaurus. Tussen 1909 en 1912 werden twaalfhonderd botten, behorend tot ongeveer vijftig individuen, opgegraven in vier groeven in de Mittlere Saurierschichte uit het late Kimmeridgien en één in de jongere Obere Saurierschichten uit het Vroeg-Tithonien. De fossielen zijn dus ongeveer 152 miljoen jaar oud. Van het in Berlijn opgeslagen materiaal zou door bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog twee derden verloren gaan.
De typesoort Kentrosaurus aethiopicus werd in 1915 benoemd en beschreven door Edwin Hennig. Kentrosaurus betekent 'stekelige sauriër' vanuit het Oudgrieks κέντρον, kentron, 'scherpe punt'. De soortaanduiding verwijst naar de Afrikaanse afkomst: met Aethiopia werd in het Klassieke Grieks heel Afrika aangeduid. In 1916 werd Hennig gewezen op het bestaan van het geslacht Centrosaurus; om homonymie, gelijkluidendheid, te voorkomen hernoemde hij het geslacht tot Kentrurosaurus, 'stekelstaartsauriër'. Hetzelfde jaar gaf baron Franz Nopcsa nog een vervangingsnaam: Doryphorosaurus, 'lansdragersauriër'. Naar huidige normen zijn beide namen overbodig: het is maar de vraag of Centrosaurus aan Kentrosaurus gelijkluidend is, afhankelijk van de uitspraak van het Latijnse centrum en overigens is alleen de spelling bepalend.
Hennig wees in 1915 uit de syntypen, het door hem vermelde materiaal, geen holotype aan. In 1925 koos hij, in een gedetailleerde beschrijving van de soort, twee lectotypen, St 439, waarvan delen behoren tot het tegenwoordige MB. R.4800.1-37, en St 500. Het 'St' is een code voor de groeve bij Kindope. Dat was niet zo'n gelukkige keuze want het ging nog steeds om twee individuen. Peter Malcolm Galton beschreef de soort in 1982 opnieuw maar zag de typeaanduiding in Hennigs geschrift uit 1925 over het hoofd. Daarom koos hij twee andere lectotypen, specimina MB.R.1930 en MB.R.1931, een reeks van twee ruggenwervels. Deze keuze is echter ongeldig; hij had hoogstens uit St 439 en St 500 botten kunnen kiezen. Heinrich Mallison viel dat op en in 2011 koos hij het volledige MB. R.4800.1-37 tot lectotype. Het gaat hierbij om botten die vermoedelijk tot een en hetzelfde individu behoren; St 439 vertegenwoordigt daarvan het heiligbeen, de darmbeenderen en de voorste staart. De zaak wordt nog complexer doordat dit individu met andere losse botten gecombineerd is tot de bekende skeletopstelling in Berlijn van 1925. Ook de Eberhard-Karls-Universiteit waar Hennig professor was, heeft een skelet; dit is voor ongeveer de helft authentiek. Mallison wees de andere in 1912 aan Hennig bekende botten, die hij had gebruikt voor de beschrijving in 1915, aan als paralectotypen. In 1912 werden nog aanvullende botten opgegraven door Hermann Heck.
Toen de Britten de Duitse kolonie overnamen als mandaatgebied heeft men in de Tendaguru Formatie nog opgravingen verricht waarbij in 1927 door William Edmund Cutler opnieuw kentrosaurusbotten zijn gevonden. Die zijn echter nooit beschreven en hun huidige verblijfplaats is onbekend.
In 1988 meldde Galton dat hij in een la in het Humboldtmuseum van Berlijn nog schedelresten van Kentrosaurus aangetroffen had, waarvan men had aangenomen dat die verloren waren gegaan. Dergelijke botten zijn zeldzaam: verreweg de meeste vondsten uit 1909-1912 bestaan uit postcrania, de delen achter de schedel. Het leeuwendeel van de elementen van de postcrania is bekend.
In 1993 hernoemde George Olshevsky Stegosaurus longispinus tot een ?Kentrosaurus longispinus. Het vraagteken duidde aan dat hij er zelf niet zeker van was en de naam heeft geen navolging gevonden. In 2014 werd dit het geslacht Natronasaurus wat in 2016 weer vervangen werd door Alcovasaurus.
Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Kentrosaurus in grootte vergeleken met een mens. In feite zakte het dier niet zo sterk door de knieën Kentrosaurus heeft een lengte van vier à vijf meter. Het opgestelde skelet is vierenhalve meter lang, enkele elementen wijzen op individuen met een lengte van vijf meter. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op vier meter en het gewicht op zevenhonderd kilogram. In sommige verouderde populair-wetenschappelijke werken wordt de lengte te kort aangeduid met tweeënhalve meter. Mallison schiep op basis van een laserscan van het in Berlijn opgestelde skelet een virtueel model van het lichaam. Afhankelijk van de gekozen dikte van de weke delen, waarbij vooral de staartbasis volgens hem een stuk omvangrijker kon zijn dan eerder werd verondersteld, kwam hij uit op een volume van 1073 tot 1267 liter wat zou wijzen op een gewicht tussen de één en anderhalve ton. left|thumb|Model van de bouw van Kentrosaurus Kentrosaurus heeft de typische stegosaurische bouw met een kleine langwerpige kop, een middellange flexibele nek, een naar voren gekromde gedrongen romp, korte en stevige voorpoten, rechte hoge achterpoten en een horizontaal gehouden hoog uitstekende staart. Het lichaam werd bekroond door twee rijen stekels. In tegenstelling tot Stegosaurus had hij maar tot aan het midden van zijn rug een zevental paar platen; deze waren smal en klein. Daarachter kwamen zes paar scherpe stekels, uitmondend in een paar 'thagomizer'-stekels aan het eind van de staart. Dit wordt wel gezien als een aanwijzing dat in ieder geval de oorspronkelijke functie van de ruguitsteeksels bij de stegosauriërs een verdedigende was.
Mallison wist in 2011 enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. De doornuitsteeksels van de staartwervels hebben niet alle de gebruikelijke helling naar achteren: in het midden van de staart staan ze verticaal en op het achtereind van de staart hellen ze zelfs naar voren toe en zijn haakvormig. De wervelboog is bij de ruggenwervels tweemaal zo hoog als het wervellichaam en wordt bijna helemaal uitgehold door het ruggenmergkanaal. Het voorblad van het darmbeen verwijdt naar voren en buiten in plaats van taps toe te lopen. Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke eigenschappen: de zijuitsteeksels lopen door tot de achtentwintigste staartwervel; de zijuitsteeksels van de voorste staartwervels zijn staafvormig met nauwe bases en de voorste ervan raakt het sacrale juk, gevormd door de vergroeiing van de uitsteeksels van de sacrale ribben, niet; de chevrons hebben de vorm van een omgekeerde T; het darmbeen is minstens even lang als het dijbeen.
Skelet thumb|Afgietsels van het brein en de verdikking van het ruggenmergkanaal in het bekken Van de kop van Kentrosaurus is voornamelijk een hersenpan bekend, die toont dat de schedel relatief laag is. Het quadratum heeft door een inkeping aan de zijkant een groot foramen paraquadraticum; de meeste stegosauriërs hebben helemaal geen inkeping. De vleugel van het quadratum richting pterygoïde heeft een uitholling. Bewaarde voorkanten van onderkaken laten zien dat die tamelijk hoog waren. Samen hadden de onderkaken een U-vorm. Het beenplateau naast de tandenrij was breed en de tanden werden aan het zicht onttrokken door een hoge verticale richel. De tanden waren kort met een licht verbrede basis, verticale groeven en zeven vertandingen op de hele rand. Dit is de meest eenvoudige tandvorm die van de stegosauriërs bekend is. thumb|left|De oude opstelling van het skelet in Berlijn, van voor 2006, met de stekel op de heup en sterk gespreide voorpoten De precieze indeling van de wervelkolom is onbekend daar die bij stegosauriden nogal variabel is en van Kentrosaurus nooit een langere reeks wervels is gevonden. Bij de meeste wervels zijn zowel de voorste als de achterste gewrichtsuitsteeksels paarsgewijs vergroeid.
De nek bestaat uit een rij korte halswervels met korte doornuitsteeksels. Bij de atlas is de wervelboog met het intercentrum vergroeid. Het tandvormig uitsteeksel, de processus odontoides is met het centrum van de draaier vergroeid. De ruggenwervels zijn hoog door ver oprijzende wervelbogen, bekroond door vrij lange plaatvormige doornuitsteeksels. De wervelbogen worden bij de voorste ruggenwervels tot het niveau van de gewrichtsuitsteeksels uitgehold door het ruggenmergkanaal, zodat nog slechts een dunne beenplaat de holte afdekt. Het is niet duidelijk wat hiervan de functie is en of de ruimte geheel gevuld was met zenuwbanen. De rug kromt vooraan sterk naar beneden toe, doordat de wervels wigvormig zijn, wat de voorste ribben naar achteren doet wijzen. Zo ontstaat een gedrongen, achteraan hoge, borstkas. De sacrale wervels hebben lagere doornuitsteeksels die aan hun bases vergroeid zijn tot een supraneurale plaat maar bovenaan nog individueel gescheiden zijn. Hun ribben zijn van de tweede wervel af bovenaan verbonden tot een 'juk'; sommige individuen hebben een extra paar echte sacrale ribben — die dus wervel en darmbeen verbinden — aan de eerste sacrale wervel. De doornuitsteeksels van de staartbasis zijn hoger maar erg dun en naar achter hellend. De processus spinosi van de middelste staart blijven dun en grillig gevormd maar richten zich van de achtste wervel af geleidelijk verticaal op; bij de achterste staart zijn de doornuitsteeksels gereduceerd tot korte haakvormige uitstulpingen die meer naar voren wijzen. De boveneinden van de doornuitsteeksels van de staart zijn matig overdwars verbreed. Bij alle staartwervels hellen de wervelbogen iets naar voren, wat zeldzaam is bij de Stegosauria. De zijuitsteeksels van de staartbasis zijn zijwaarts en licht naar beneden gericht; ze hebben op hun bovenste basis een klein naar boven gericht uitsteeksel. Chevrons zijn alleen bekend van de middenstaart en hebben in zijaanzicht een T-vorm of de vorm van een ploeg; ze zijn kort en kunnen gediend hebben de staart te ondersteunen als het dier zich oprichtte; de onderkanten zijn opvallend recht afgeplat. De korte chevrons kunnen betekenen dat de vlezige staart vrij dun was. thumb|De nieuwe opstelling met de stekel op de schouder; de voorpoten staan nog steeds niet in normale loopstand